Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het onmogelijk is over God te spreken zonder menschelijke voorheelden te gebruiken, en c. 11 (verg. XX 6), dat men van wat menschen eigen is het beste aan God moet toekennen. Dit wordt toegelicht met het betoog, dat er geen enkele qualificatie van God in zwang is > die niet van oorsprong een menschelijke qualificatie zou zijn, en dat' zoo men verplicht was er zich van te onthouden, geheel het spreken over Gods wezen zou moeten achterwege blijven en de mensch ter ^ wille van de eischen der practijk zich zou dienen te bepalen tot beschouwingen over Gods wil (XIX 10).. Een zien van God, als den reinen van harte is toegezegd (XVII 7), heet dan ook onmogelijk, enzij ei toenadering heeft plaats gehad, 't zij door vergeestelijking van den mensch in een lateren bestaansvorm, 't zij door eenk'e belichaming Gods (XVII 16). Van openbaring wordt dienovereen- ,komistlg gezegd, dat zij bestaat in een tvev <po>vrjS rij airov ftovhj in het bewustzijn opkomen van wat onuitgesproken ligt in alle menschelijke harten (XVIII 6). Recognitiones desgelijks verzekeren: „Deus videtur mente, non corpore, spiritu, non carne" (Ree. III 30) en herinneren, dat, welke uitdrukking men ook bezigen moge om er het goddelijke mee aan te duiden, licht, zelfstandigheid, geest, goedheid, leven, of wat dies meer zij, deze telkens aan de wereld der werkelijke dingen is ontleend (II 51, 56). Overigens verwijzen zij naar natuur en geschiedenis als bronnen van godskennis. „Hoe ipsum quod subsistit" _ de Schepper n.1. - „ex opere ejus quo mundum condidit palam est", lezen wij II 55. „Ministri gloriae ejus" heet „omnis militia coelestis" (II 56). Elders worden „legis et naturae testimonia" samengevoegd (II 67), die der eerste overeenkomstig de kerkelijke voorstelling, dat profetische vóórwetenschap als bovennatuurlijk hulpmiddel het menschelijk onvermogen ter hulpe komt (II 51).

De erkenning van het monotheisme is hoofdeisch in beide geschriften, voorwaarde van zaligheid (Hom. III 3; IX 59; Ree. I 26; III 68). \ raagt men, waarop die erkenning berust, dan blijkt, dat zij, voor zoover zij niet een geestelijke erfenis van het Jodendom | moet hteten , \ au intellectueelen aard is. WXho Jigoaetvat aövvarov heet tiet van ti]? Seov (pvaeujg ïöiovJHet wezen Gods is volstrekt exclusief. Als de schepper van alle dingen is hij tevens xgeazwv. Geen oroiyela kunnen ooit in de plaats treden van Hem, die ze alle geordend heeft Een tweede aneigos naast den eenen Ongeschapene is niet denkbaar (Hom. X 19, 25; XVI17). Meer wijsgeerig nog schrijft de auteur van Hecognitiones: „Quod simplex est caret numero, divisione" en wat dies meer zij, „et ob hoe etiam fine." „Quod simplex est et his omnibus caret quibus solvi potest", „incomprehensibile et immensum est, neque ïnitium ullum neque finem sciens, et ideo unum et solum est et sine auctore subsistens" (Ree. VIII 9)./De God der Clementijnen is de Absolute.! Ter aanbeveling van dit monotheisme wordt een beroep gedaan op de hooge waarde der monarchie onder de menschen

Sluiten