Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als doeltreffend middel om den vrede te bewaren (Hom. IX 2), en tegenover de neiging om inferieure machten de eeretitels van de Oppermacht met haar te laten deelen wordt gevraagd, hoe het onderdanen , zelfs van hooge betrekking, vergaan zou, als zij zich Caesaren waanden (Hom. X 14, 15). Zoo komt ook aan niemand en niets den Godsnaam toe. Móvog ydg ai'nog xai kéyerat xai êanv dklov t)l ome vofunni, ovre ebielv ei-Fonv (Hom. III 37). Wezens van minderen rang en slechts in oneigenlijken zin goden genoemd zijn mitsdien de machten, aan wie onder het souvereine opperbestuur Gods het beheer over de zeventig of tweeënzeventig volken der aarde werd toevertrouwd. De termen in de bijbelsche uitdrukking „God der goden" zijn van ongelijke beteekenis (Hom. XVIII 4; Ree. II 41).

Dit Oneindige, Absolute intusschen neemt naar de behoeften van het vroom gemoed of de vrome verbeelding telkens weer concrete gestalten aan. Voor het gebed allereerst is een omlijnde godsvoorstelling onmisbaar. Hoe zou men bidden zonder iemand, die het hoort? 'Avnrvmav ovy. ryjnv eig xevov èxpa&QSVetai. Elke consequentie, die concludeert tot een God, die dayrj/ndTtaiog, d/ioo'/og, dsldeog is, moet als een kwaadwillige worden afgeweerd (Hom. XVII 11). Ook mocht zeker anthropomorphisme een eisch der schoonheid heeten. Als men Gode een gestalte toekende en oogen en ooren, dan was het niet dia xgfjoiv. De Alwetende, Alomtegenwoordige behoeft zulke menschelijke hulpmiddelen niet. Maar fttd tiqmtov xai fxóvov xalAog. De schoonst mogelijke gestalte draagt hij ter wille van den zichtbaren mensch, wiens onzichtbaar, slechts voor de reinen van harte waarneembaar beeld hij is (Hom. XVII 7, 10). Als de schrijver der Homilieën een poging waagt om het begrip van het oneindige, dat zijn denkvermogen hem aan de hand doet, en de personificatie, waartoe religieuse behoefte en de voorgang der Schrift hem dringen, met elkaar in overeenstemming te brengen, dan weet hij niet beter te doen dan een vergelijking te ontleenen aan de zon. Zij troont in het midden en haar licht en levenwekkende warmte doorstralen niettemin hemel en aarde. Zoo is ook God uitgangspunt en einddoel der zes uitgebreidheden, en desgelijks de levensbron en de toevlucht van alle zielen. Daarin is een mysterie, to ffido/iddog /ivorijomr.

- Door dit leven schenken en leven nemen is God twv oXtov dvdnavatg. Niet zonder welsprekendheid wordt dit uitgewerkt (Hom. XVII 8—10). Toch blijft het uit den aard een worstelen met de taal en met de gedachte. En worstelen is het straks ook, als de schrijver onderden invloed van oudtestamentische tafereelen van het verband tusschen het geestelijk en het vormelijk bestaan Gods zich een aanneemlijke voorstelling tracht te maken. 'Yno tov ê/iq>vrov nvev/iaro? ni'ror ujioonijTM fivvd/iei, uTioiov ih' ftovhjrm yiverai to ocöfia, leert hij dan (Hom. XX 6), en straks weer: <5 /lèv ngofidXhov y.al rig hégav ovahiv TQHTiivTa ndhv t:<p' tnvrov rgéneiv èvvmai (c. 7). Metamorphosen dus

Meijboom , De Clemens-Boman. II. 8

Sluiten