Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet onwaardigen tot zich te trokken (Hom. III 6). En wat er aan zonde en smart te voorschijn komt, het heeft zekere bedoelingen (Hom. VII 2; XVI 20). Het lijden is er opdat de vromen barmhartigheid zouden oefenen (Hom. XIX 23). De vervolgingen moeten de getrouwen in staat stellen om de kroon der gerechtigheid te verwerven (Hom. XII 30, 31; VIII 19). En mocht men opmerken, dat de rol hier aan de lijders en de kwaadwilligen opgedragen een onbillijke is, de leer van vrijen wil en van hemelsche zaligheid is daar om de bezwaren uit den weg te ruimen. Vooral de onmisbaarheid van den vrijen wil is het schild, waarop alle tegenstand afstuit. Daarmede wordt door God bij alles rekening gehouden. Uit dien wil kwam de boosheid van Satan voort en de val der engelen en de ongehoorzaamheid der menschen. Het vrijwillig bedreven kwaad veranderde het karakter der natuur en maakte een deel van hare werkingen schadelijk (Hom. VIII 17; XIX 15). Dat kwaad lokte goddelijke strafbedreigingen uit en maakte goddelijken toorn onmisbaar. Terwijl Gods liefde de waarheid als een geschenk aan de menschen biedt (Hom. III 30), en gehoorzaamheid met welvaart, beloont (Hom. VIII 10), volstrekt die toorn in het heden en in het hiernamaals zijn strafgerichten. In dit loonen en straffen bestaat grootendeels het werk der Voorzienigheid. Ook verhoort zij billijke gebeden (Hom. VII 4, 8) en waar 't pas geeft verleent zij wondermacht of maakt zij ongedachte lotswisselingen dienstbaar aan de openbaring der waarheid en van haren wil (Hom. XIV 5; XX 5, 11). Met wijs beleid doet zij het licht schijnen naar de mate waarin de wereld het dragen kan, van den beginne af êv y.QVJiKp n&oi? het openbarende (Hom. III 19), te goeder ure, en toch te vroeg nog schier, het blootstellende aan de onvriendelijkheden, waarmede bij volledige uitstraling tot voorlichting der menschheid de duisternis het dreigt (Hom. I 11, 12).

Aldus in hoofdzaak de Homilieën. De Recognitiones formuleeren zoo mogelijk de tegenstellingen nog scherper en lossen op niet minder naieve wijze de problemen op. Het scheppingswerk eindigt er met de plaatsing van den mensch te midden van den overvloed, toegerust met de „facultas" om van dat alles ,,pro arbitrio" gebruik te maken, ,,sive ad bona velint, sive etiam ad mala" (Ree. I 27). Dit vrije willen is een wilsbepaling Gods en beperkt als zoodanig zijn almacht niet (III 25). Het brengt in zijn gevolgen met zich, dat twee tegenstrijdige machten in de wereldgeschiedenis tegen elkander overstaan en zoolang elkaar bekampen, totdat „animarum quae praedestinatae

sunt ad expletionem numerus impleretur" (III 26; VIII 52, 47,

48, 56). Geen zelfstandig kwaad, maar een dat aan Gods wereldbestuur dienstbaar is, openbaart zich daarin (II 17, 18; IV 23; V 5). Het vooruitzicht op dit droevig proces weerhield de Godheid niet van het scheppen der wereld, maar deed haar veeleer doeltreffende maat-

Sluiten