Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekere natuur boven de leer gaat, als zij verzekeren: ovx h rw eyzetgijoai fióvov, aXla xai h> rco èvvorjoai i"xaarog evdvveini (Hom. VII 7), en zelfs: „Judicium dei gestorum causa agetur, non quaestionum" (Ree. II 20, 21; III 37; Hom. XIX 3). Ook wat er gezegd wordt van onkunde als verzachtende omstandigheid (Hom. VIII 9; XI 33) en van een beoordeeling van de diepste gezindheid (Ree. IX 13; X 2) ligt op deze lijn. Toch blijft verwaarloozing van dogma en cultus het hoofdbezwaar (verg. Ep. Clem. 7). In bijzonderheden voorts heeten de tijdelijke tuchtigingen en het die aanvullend gericht „vindieta parricidii" (Ree. VIII 47, 48). Of ook wordt „unosermone" overtreding van den eisch, dat men een ander niet doe wat men zelf niet lijden wil, gezegd samen te vatten alle ongerechtigheden „pro quibus judicandi sumus" (Ree. VIII 56; Hom. XI 4). Elk vergrijp aan den mensch is een vergrijp aan Gods beeld en als zoodanig majesteitsschennis. Gods gericht kan daarna niet achterwege blijven. Tijv yao nvrov fioo<pijv êxöixéï (Hom. XVII 7). Straks weer heet het van wie de weldaden Gods in de schepping miskent: dyaotoTtjoavn fj fie(£ojv dia jivqo? xókaai? jiQotjxoifiaorai (Hom. XI 23).

In dit alles is welbeschouwd niet veel anders dan wij konden verwachten. Ook niet in de verzekering, dat vóór de grondlegging deiwereld dit godsgericht bepaald werd (Hom. VII 6), en dat het aan 't eind der geschiedenis, bij de tweede verschijning van den Christus op zelfs aan engelen nader onbekenden dag zal worden voltrokken (Ree. I 49, 51). Daarentegen kan niet nalaten bijzondere belangstelling te wekken het onderscheid, dat er gemaakt wordt tusschen de openbaringen der goddelijke gerechtigheid in den loop der historie en in den oordeelsdag, in verband met zeker wijfelen tusschen naturalisme en supranaturalisme, dat wij ontdekten. Als de rechtvaardigheid tegenover de goedheid gesteld wordt, valt de grenslijn soms met het eind der geschiedenis (Ree. III 37; IX 13), soms met de wetgeving van Mozes samen (Hom. XVIII 2, 3). Maar meestal wordt die rechtvaardigheid aan beide zijden van de scheiding gezocht. I)e rampen in het heden immers zijn even zoovele tuchtmiddelen in de hand van den rechtvaardigen God. En van die rampen wordt gezegd, eensdeels dat zij met het natuurleven, anderdeels dat zij met de menschelijke gezindheden en practijken samenhangen, zoo innig dat men van zedelijke wereldorde zou kunnen spreken, die in den grond natuurlijke wereldorde is. "Qo7ieq ag/iovtas nvog axokovïïio? êqtjQjuoafiévijs treffen die het verdienen de kastijdingen, lezen wij (Hom. VIII 11, 17; X 4). Wat zij lijden, lijden zij niet zoozeer fhov yjiTahtxjïCovTog, als wel xaxö)v Tton^eiov ToiaviYjv èyovowv xqioiv (Hom. IX 9). Wat een iïavaoi/iov (pr'tg/inxov is voor het lichaam, dat zijn de zonden voor de ziel (Hom. X 12). En desgelijks in Recognitiones: „Unicuique bono quasi quodam conjugii foedere ex parte peccati sociatum est malum" (Ree. VIII 51). Tot deze rubriek behoort

Sluiten