Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 2. Anthropologie.

Natuurlijk onderscheiden de Clementijnen in den mensch lichaam en geest. Het eerste behoort tot het vrouwelijke of lagere, de laatste tot het mannelijke of hoogere deel der wereld. Elk van die is vatbaar voor drieërlei gewaarwordingen of het verrichten van drieerlei functiën. Het lichaam kan begeeren, toornen, smart lijden, de geest redeneeren, kennis verzamelen, vreezen. Individueele of tijdelijke stemmingen hangen samen met het toevallig mengsel van de vierderlei bestanddeelen der stof. De lichamen toch y.ara ras öm<póoovg TQOTtaq duupógme TQÉJtovTui. De evenredigheid daarin kan verbroken worden. De o^ég/iara rd>v ovyy.ort/xihov wijzigen zich en daardoor verandert het mengsel, 't Gevolg is, dat daardoor de yviofiai mede veranderen en èire uyadai worden, die y.ay.at (Hom. XX 2, 5; Ree. VIII 28). Wijst dit reeds op een nauw verband tusschen lichaam en geest, met dit verband rekening te houden blijkt te allen tijde zaak. Zoo heeft men te zorgen voor de noodige rust. Na zijn zeereis laat daarom Petrus zijn bezoeker Clemens behoorlijk uitslapen. Immers als de ziel door eenige ontbering of vermoeienis van het lichaam in beslag genomen wordt, is zij voor leering niet ontvankelijk (Hom. II 2). Die behoefte aan rust is evenwel relatief. Zij kan tot een minimum worden ingekrompen. Door oefening is dit mogelijk, maar ook door sterking van het geestelijk leven. „Humanae naturae vis" blijkt ,,ad omnia apta" en „habilis" te zijn. Zoo wist Petrus het door een heilbegeerig in den geest oproepen van de „verba domini" zoo ver te brengen, dat hij reeds te middernacht placht te ontwaken (Ree. II 1), gelijk immers ook Clemens op zijn reis als vanzelve de bezwaren van de zeeziekte te boven kwam en nog lang na dato in overeenstemming met de tijdsregelingen aan boord op vaste tijden honger kreeg (c. 2) „Secundum naturae locum obtinet consuetudo" (Ree. III 31). Niettemin zij de vereischte slaap een iegelijk gegund, mits hij zijn tijd van waken goed bestede (Ree. III 31), en rekening houde met den tijd van het jaar. „Non in omni tempore easdem horas observare debet ad vigilandum" (Ree. VI 1). Ook zorge men voor behoorlijke spijsvertering door een betamelijke rust. Als „nondum decoctis cibis" de slaap gestoord wordt, zal „indigestum corpus" den geest bezwaren en „crudos adhuc exhalans spiritus" zal het de hoogere vermogens benevelen (Ree. VI 1). Niet minder doen alle verdere stoornissen schade. Droefheid, toorn, verliefdheid, oververmoeienis, geldzorg zijn even zoovele oorzaken, dat de geest voor het hoogere minder toegankelijk wordt, weshalve de zielverzorger met de omstandigheden dient rekening te houden en de paedagoog tijdig het gemoed van de noodige verweermiddelen moet voorzien (Hom. II 2, 3). Dit nauw verband tusschen lichaam en geest blijkt ook hieruit, dat overdorstigen van bronnen droomen, hersenlijders visi-

Sluiten