Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oenen krijgen, overmaat van warmte en koude het redebeleid stoort. Er zijn afwijkingen van het gewone leven, die ,,vitio quodam vel animae vel corporis" te verklaren zijn (Ree. II 64).

Naar het beeld Gods is het menschelijk lichaam gevormd. Dat beeld is er opgedrukt als een zegel. Daaraan dankt het, dat hemel en hemellichamen, in macht het zoover te boven gaande, aan zijn belangen dienstbaar zijn (Hom. III 7). Om zijnentwil is alles geschapen (Hom. III 36; XI 23; XVI 20). Daaraan dankte het ook de onsterfelijkheid, die evenwel door de zonde verloren ging (Hom. XIX 15). Sinds is het ten prooi aan de ontbinding (Hom. XVI 19; Ree. I 52). Zelfs is met de zonde een ontijdige dood in de wereld gekomen, en wel ten tijde van het twintigste menschengeslacht. „Vicesima generatione ob incesti crimen primus morte propria filius ante patrem defunctus est" (Ree. I 31). Omgekeerd was een lang leven het loon der deugd (Ree. I 52). Zelfs is het aan enkele rechtvaardigen ten deel gevallen, dat God ze tot zich nam. ,,Ad paradisum translati" werden zij bewaard voor het Koninkrijk. Zoo althans wordt verhaald ,,in litteris legis", maar heel dit onderwerp, hoe het den vromen verging eer Christus verschenen was, behoort tot de „ineffabilia", waarover men hoogstens door de onderstelling van een Christus, die „per singulas quasque generationes piis, latenter licet, semper tarnen aderat , eenig licht ontsteken kan (Ree. I 52). Zijn op die wijze slechts enkele lichamen aan de vergankelijkheid ontkomen, de zielen zijn allen onsterfelijk. Dit is een eisch der rechtvaardigheid. Immers de ondervinding leert, dat soms de goddeloozen in weelde zich baden en hun leven tot een natuurlijk einde brengen, terwijl vromen een ontijdigen, gewelddadigen dood vinden en zelfs geen eervolle begrafenis worden waardig gekeurd. Hoe zou dit bestaan kunnen met de goddelijke gerechtigheid, indien het niet in een hiernamaals vereffend werd? (Hom. II 13; Ree. III 40, 41). De dood zelf intusschen zou in Gods wereldbestuur niet kunnen worden gemist. El yao ovx rjfiev êavdrov dexrixoi, kjtï nvteS-ovoUi) hfiaQTr]u<m ti[moq£Ïo&ui d>s n&dvaroi oi'y. tdrvditn'hi. Op de vraag: waartoe de dood? geen ander antwoord dan: dia t<> avie^ovaiov (Hom. XIX 15).

Behalve het beeld Gods vertoont de mensch ook, of kan hij althans vertoonen, de gelijkenis Gods. In de Homilieën is sprake van 'smenschen ngont] evyéveia (X 6), in Recognitiones van zijn „prior nobilitas" (V 13). Zij bestaat in neiging tot het goede, voorbeschiktheid om door God te worden aangetrokken (Hom. III 6—8), een „ingenitus quidam nobis erga Deum affectus" (Ree. II 6, 17). Ook in ontvankelijkheid voor de waarheid. Het zijn vooral de Recognitiones , die op het intellectueele den nadruk leggen, ten gevolge waarschijnlijk van de meer dogmatische ontwikkeling. „Aequales omnes ab eo facti sunt et aequaliter cunctis dedit capaces esse veritatis", lezen wij daar (III 35). Met dat „aequales" stemmen ook de Homi-

Sluiten