Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieën in. Ov noXv, a/la to jrav zijn zij dientengevolge de meerderen (Hom. IX 20). Zoo ook fïte ayaftol eïte y.ay.oi ov yevvw/ie&a, akka yivófieffn. Oorspronkelijk zijn alle menschen gelijk (Hom. VIII 16). Ook tusschen man en vrouw is geen verschil. Zij vormen een tweeeenheid. Movag ovan r<5 yivei dras iouv (Hom. XVI 12). Zoo krachtig is de oorspronkelijke aanleg, dat zoowel de openbaring in Mozes als die in Jezus had kunnen achterwege blijven, suieg a</' éavTcïtv to evkoyov voeïv iftovkovro (Hom. VIII 5). Ook een Heilige Schrift is wel beschouwd overbodig. Ja, zelfs indien zij met het haar toegekend gezag dwalingen opdrong betreffende het wezen Gods, de welgezinde mensch zou zich niet laten verleiden, maar voortgaan overeenkomstig den natuurlijken drang in hem avröv fióvov oéfieir xni to ai'Tor (iovXrjfia jroieh' (Hom. XVIII 22). In Recognitiones wordt ditzelfde uitgedrukt met de verzekering, die wij reeds ontmoetten: „Inest enim intra uniuscujusque nostrum mentem", de ware Profeet namelijk, maar dan latent in degenen, die naar kennis Gods en gerechtigheid niet verlangen , werkzaam en licht ontstekend daarentegen in de heilbegeerigen (Ree. VIII 59). Daarmee strookt dan ook het beweren, dat „ipsa rerum ratio" in zeker opzicht hetzelfde leert, als wat „verus propheta nobis narravit" (Ree. V 2).

Als zoo hoog begaafd schepsel vertoont de mensch Gods beeld en gelijkenis, beide zeer bepaald van elkaar onderscheiden (Hom. X 6; XI 4; XVI 10, 20; XVII 7). Voor zoover hij ze heeft weten te bewaren, geven zij hem macht over geheel de lagere wereld. Over lucht, aarde en water is hij heer. De bewoners dier elementen, hoezeer ze hem in grootte of lichaamskracht te boven gaan, weet hij te bemachtigen en aan zich dienstbaar te maken (Hom. X 3; Ree. V 2). Ook onderscheidt hij zich van hen door besef te hebben van goed en kwaad. Gods gelijkenis te dragen is één met Gods kind te zijn en goede werken te doen (Hom. X 7; Ree. V 13). Slechts dyadi'/g '/'''/ijs ó xa&agos stelt daartoe in staat (Hom. XI 4). Wordt dat prijs gegeven en daarmee de „gelijkenis" verloren, dan verliest ook het lichaam de onsterfelijkheid als niet meer waardig het ,,beeld" te dragen (Hom. XVI 1!)). Dat „beeld" is de uitdrukking van de hoogste schoonheid, door God om 's menschen wil ten toon gespreid, om de reinen van harte te verheugen. Het is in den mensch afgedrukt, opdat hij over alles zou heerschen en alles hem zou dienen. Wie het godsbeeld eeren wil, heeft slechts den mensch te beweldadigen. Wat men den mensch aandoet, 't zij goed of slecht, wordt aangemerkt als Gode aangedaan; els èxeïvov draqégtTai (Hom. XVII 7).

Tot 's menschen oorspronkelijke natuur behoort ook, en zeer bepaald, de vrije wil. De schrijvers der Clementijnen leggen daar allen nadruk op, en vooral die van Recognitiones, die blijkbaar zich reeds bewogen heeft in de gedachtenwereld, waarin later een Augustinus zou trachten orde te scheppen. Ontelbare malen wordt de ver-

Sluiten