Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelijk een vrije wil, zoo wordt ook aan alle menschen een natuurlijk kenvermogen toegekend (Ree. III 35). „Ipsa ratio" leert sommige dingen (Ree. V 2). Van daar dat hun woord soms de beteekenis van een godswoord heeft. „Saepe etiam fama vulgi prophetiae speciem tenet" (Ree. III 19). Evenwel dient onderscheid gemaakt te worden tussehen wat tot de seculaire wetenschappen en wat tot het godsdienstig leven behoort. Voor de eersten heeft men zijn vijf zintuigen (Ree. II 51). Met behulp daarvan kan men in zaken van wetenschap en kunst zijn weg vinden. De menschen beoefenen dientengevolge „artificia" en „disciplinae", die zij van andere menschen geleerd hebben (Ree. IX 1). Maar aan sommigen werd een zesde zintuig verleend, dat der voorwetenschap of bovennatuurlijke kennis (Ree. II 51), en het daaraan geopenbaarde is op godsdienstig gebied onmisbaar. Men moet er zich aan onderwerpen, „etiamsi minus plenae adsertionis esse videbuntur." Daartegenover uit eigen gedachten „speciem verioris et validioris veritatis" te putten leidt op een dwaalspoor (Ree. VIII 37). Heeft het den schijn van niet juist te zijn, men wijte dat aan eigen onverstand (Hom. II 11). Zonder dat is velerlei dwaling onvermijdelijk. Immers, is het reeds bezwaarlijk de gedachten der menschen te lezen, hoeveel te meer door te dringen in de geheimenissen Gods! (Ree. II 55; VIII 58, CO). Ook heeft God ,,quod utile est hominibus", de dingen zijns koninkrijks, voor de menschen verborgen, niet onder aardhoopen, maar „cantatis suae velamine". Het geschiedde, opdat de heilbegeerigen zich zouden onderscheiden van de onverschilligen en ze eerst zouden erlangen na bij den schatbewaarder te hebben aangeklopt (Ree. III 53, 08). Zekere liefde tot God is voorwaarde van de kennis Gods (Ree. III 62; VIII 59). Het is of ons hier het bekende ,,tantum deus cognoscitur, quantum diligitur" tegenklinkt. Zonder die liefde gaat men achteloos aan de godsopenbaring voorbij, gelijk men de Schrift niet verstaat met een door zonde verduisterd gemoed (Ree. I 21). De natuurlijke mensch kan zelfs door teekenen en wonderen misleid worden (Ree. III 60), of ziet als een beschonkene dwaling voor waarheid aan (Ree. V 4). Oprechte heilbegeerte daarentegen wordt allicht door God met voorlichting beantwoord (Ree. III 19). Evenwel is om tot het volle licht te komen meer noodig dan openbaring en heilbegeerte alleen. Zekere methode moet gevolgd worden. Bij de godgeleerdheid is het als „in arithmeticis disciplinis." Gaat hier ,,ab inferioribus ad superiores numeros" de weg, daar loopt die „ab his quae videmus et contrectamus ad intellectualia et invisibiiia" (Ree. \ III 9, verg. II j>6). Zelfs zou men zeker Lockeaansch empirisme gehuldigd kunnen vinden in wat tot Petrus gezegd wordt: „Si vere aliquid tibi videris tua cogitatione perspicere et supra coelos intueri, non dubium quin ex his ea consideres, quae in terris positus vides" (Ree. II 51, 62, 65). De te volgen methode is overigens, dat in een

Sluiten