Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tisch worden zij gezegd te gaan efe tijv tov jivgog yaméon (Hom. X 11). „Spiritu flamtneo circumdatae", ,,per seculum expensurae supplicia" heeten de zielen in Recognitiones, gedompeld „in profundum ignis inextinguibilis" (Ree. III 26), of in „ignis fluvium quem Pyriphlegethonta nominant" (Ree. IX 11). Clemens is er beducht dat zijn vader, ingeval hij mocht sterven alvorens onder de christenen te zijn opgenomen, zal afdalen „in infernum vacuus en cruciandus in aeternum", en het is een alleszins merkwaardige vrijgevigheid van Petrus, dat hij die vrees terugdringt met verwijzing naar het onderscheid tusschen gerechtigheid naar de wereld en eene „propter solum Deum" en naar de voorwetenschap Gods, waardoor menschelijke bemoeiing kan worden beschaamd. „Salus enim", heet het, „non vi adquiritur sed libertate, nee per hominum gratiam sed per dei fidem" (Ree. X 2). Het vuur, waar de zielen doorgaan, heet xa&aïoov of y.a&>tQoiov (Hom. IX 9, 13). Ook is er onderscheid tusschen een fm'Qmv en een IJtkov xóiaoig, naar evenredigheid van de maat der goddeloosheid (Hom. XI 10). Schijnt dit plaats over te laten voor bekeering en herstel, daartegenover staat toch ook een jivo auóviov, waarin de onbekeerlijken xokna&évres d7tooftfm)i)aovT(u (Hom. III 6, 59; VII 7; XVI 10). De gedachte aan de te lijden pijn, het godsgericht in leven en sterven, wordt telkens aangedrongen als onmisbaar voor zelfbeheersching en gehoorzaamheid. Zonder vrees geen deugd, maar ook omgekeerd zonder het blij vooruitzicht op toekomende heerlijkheid geen offer van zinnenlust. „Si desperantur futura, quidni si abscidatur misericordia luxuriae indulgeatur et voluptatibus?" (Ree. III 42). Die heerlijkheid wordt deswege met levendige kleuren en niet zonder dichterlijken zin geteekend. Gelijk in den winter, zoo heet het in Homilieën, de dampen der bergen door de zonnestralen aangetrokken en voor altijd naar hooger sfeer overgebracht worden, zoo worden ook de zielen, waarin verlangen naar God woont, na de scheiding van het lichaam dg tov ai'tov xóijiov heengedragen (Hom. XVII 10). Dat inwonend verlangen is natuurlijk hoofdvoorwaarde. Om u&dvmog of iïqDugTog te worden moet men jegens zijn Schepper welgezind zijn (Hom. III 37). Behoort men tot die bevoorrechten, dan kan men de zaligheid smaken van nTQémcog den Vader te zien. Immers in de opstanding der dooden zullen de met lichtgestalten bekleede, aan de engelen gelijk geworden zielen der rechtvaardigen daartoe in staat zijn (Hom. XVII 16). Dan zal ook de harmonie tusschen leven en lot, de ware paradijsstaat, terugkeeren. 'Aftaraoiag êmy.QaTovorjg evlóytog jtdvTci yeyovóta (pavr\aexai. Onder de vreedzame heerschappij van den Christus zal 's menschen y.nnmg t.vy.oaTog zijn en zijn yvatatg iïnTtuoTog. Geen hartstochten zullen meer oorzaak van ellende zijn, geen dwalingen meer misleiden (Hom. XIX 20). In 't kort gezegd, uimvtov <ponbg dvatsiXnvTog, ten dage der Parousie, zullen jiurra t<\ tov oxórovg uq nvfj zijn (Hom. II 17). De Recognitiones

Sluiten