Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beschrijving van 's menschen toekomst en bestemming. Zonder erkenning van voorzienigheid en gericht geen deugd, en waar die prijsgegeven worden gaat zelfs het geloof in onsterfelijkheid verloren. Waartoe nog voorttebestaan, als het niet is om zijn verdiende loon te ontvangen? „Ne anima qnidem ipsa immortalis videbitur, si eam post absolutionem corporis nullius providentiae excipiat dispensatio" (Ree. VIII 10; verg. Hom. II 13). Van dit centrale gevoel, het rechtsbesef, den vergeldingsdrang, stralen schier alle verdere dogmen uit.

§ 4. Zedeleer.

Reeds maakten wij kennis met eenige theorieën, die als achtergrond van de zedeleer der Clementijnen niet uit het oog verloren mogen worden. Zoo met de syzygieënleer, die, met behoud van de eenheid en de souvereiniteit Gods, de wereld, ook de zedelijke wereld, in tegenstellingen uiteen deed gaan en in zoover zeker dualisme verkondigde. Zoo ook met het beweren, dat de mensch een v r ij e n wil heeft en bij alle schijnbare zondeslavernij het elk oogenblik in zijn macht heeft het goede deel te kiezen. Wij mogen er nog aan toevoegen de herinnering aan een supranaturalisme, dat geneigd is de stoffelijke wereld als ongoddelijk te stellen tegenover de openbaringen en werkingen van den goddelijken geest. In het kader van deze leeringen zullen dus vermoedelijk ook alle verdere beschouwingen passen, die wij hebben saam te lezen om een beeld te ontwerpen van de Clementijnsche ethiek. Zij wekken bij voorbaat het vermoeden, dat zij van geen buitengewone diepte getuigen zullen.

Er is gedurig sprake van een Gode weibeha gelijke nnAirn'u. Zij is niet bijzonder ver te zoeken. Voor een deel kunnen de menschen <\<p iavTMv de redelijkheid er van inzien (Hom. III 32). rl.k dè Sn evaeftEÏv rryvrojuovovvrag vjufig ó v/iéregos Siön^ei vov? (Hom. III 69). Voor een ander deel kunnen zij uit verschillende bronnen de kennis er van putten. Velerlei godsopenbaring immers is hun ten deel gevallen. Zoo was er van den beginne een „divinitus traditus vitae ordo" (Ree. I 29). Zoo waren er geboden, die ra fhcö noéoxovra kenbaar maakten, voorschrijvende tot God te bidden,, van Hem alle dingen te vragen, van de tafel der daemonen zich te onthouden, geen aas te nuttigen, geen bloed aan te raken, van alle onreinheid zich te onthouden, en verder, in één woord, voor den naaste al het goede te beramen, dat men voor zich zeiven begeert (Hom. VII 4). De door God bepaalde dQtjay.sta eischt dit alles, en voorts: den Waarachtigen profeet te gelooven, zich te laten doopen tot vergeving van zonden, ingetogen te zijn, wel te doen, geen onrecht te plegen (Hom. VII 8). Ten deele was dit eisch van het godsgebod ten tijde van Noach, inhoud der .,,lex quae vivendi modum doceret" (Ree. IV 13, 36; Hom. VIII 18, 19). Voorts leerde God door „praecepta per

Sluiten