Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Recognitiones, die dezelfde voorstelling huldigt (VII 6), een oogenblik de cultuur gewaardeerd heeft in verband met der mensehen levensbehoeften, verzuimt hij dan ook niet er aan te herinneren, dat de zinnelijke neigingen door de geestelijke beperkt worden ,,suceedente parsimonia", en eindigt hij met de vraag: ,,Quantus enini sumtus est aqua et pane utentibus et hunc a deo sperantibus ?" (Ree. IX 6). En in de tweede plaats leidde stofverguizing tot zekere schuw voor de stoffelijke bestaansmiddelen. De ynóóijc V"7'/ doordringt ook het voedsel en baant zich daarmee een weg naar den menschelijken geest. Bij het nuttigen van spijzen, bij voorkeur natuurlijk aan de tafels der afgodendienaars, voert men eigenhandig daemonen naar binnen, die er hun noodlottig werk verrichten en hun verderfelijken invloed doen gevoelen. Bij zulk een staat van zaken is natuurlijk bn\ jtuvtmv y.alov f/ nirngxein (Hom. IX 9, 12). Maar ook buitendien is overmaat van voedsel bedenkelijk. Immers het gevaar bestaat , dat hitavdévTos tov ndtnuroq de druk der spijzen de ziel vervoere jio<k tnitivfüa? avó/iovc (Hom. XIII 18).

Na aan dit onderwerp grenzen de theorieën op 't punt van sexueele moraal. Zij zijn niet onbevredigend, ofschoon de openhartigheid, waarmee in détails wordt afgedaald, weinig beantwoordt aan de eischen, die wij onwillekeurig plegen te stellen aan stichtelijke lectuur. Onze schrijvers stellen het huwelijk hoog. De èmffv/ua is nu eenmaal den mensch ingeschapen, en dat tot instandhouding van zijn geslacht. Indien hij die dus inwilligt, mits jroog vófiifiov yiifiuv, dan doet hij geen kwaad (Hom. XIX 21). Tot de voortreffelijkheden van de Ware profetie behoort dan ook, dat zij yu/iov vofinevei (Hom. III 26). Dienovereenkomstig, en tevens ter afwending van gevaren, hebben alle kerkelijke autoriteiten zich te beijveren, dat zij het huwelijk in de hand werken van jong en oud (Hom. III 68; Clem. ad Jac. 7). Want alle buiten-echtelijke geslachtsgemeenschap is uit den booze. Zij toch gaat {mèg naanv ufiagnav (Hom. III 68). Met vele moorden staat één enkele echtbreuk gelijk (Hom. XIII 19). Waar zich het kerkelijke standpunt doet gelden, zal het heeten, dat zij op ééne na de ergste zonde is, want daar gaat de nor/na ttvev[iHTty.ïj (Hom. XVI 20), de yn'^txrj /ux/tin, het zich laten bevruchten door vreemde leeringen (Hom. III 28), de ketterij, er boven (Clem. ad Jac. 7, 8). Maar overigens, overspel, hoererij, is het grootste kwaad, bron van onnoemelijke rampen. Moord en doodslag kweekt zij, verwoesting van kinderlevens, onrecht jegens wettige erven, bloedige oorlogen soms (Hom. IV 21, 22; XIII 13). Zij werkt als een hx/ióq, een Ivaaa (Hom. III 68; IV 21, XIII 14). Wie zou in het aangezicht van zulke feiten het beweren kunnen volhouden, dat in haar slechts menschelijke vooroordeelen getrotseerd worden en niet een goddelijke wet? (Hom. IV 20). Daarom is er alles aan gelegen, dat de opvoeding met deze gevaren rekening houde, door de zede-

Sluiten