Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan leveren de Clementijnen ons niet. Prediking vermoedelijk vond er een plaats in, en de Eucharistie in een of anderen vorm. Kr is niets tegen, te onderstellen dat, waar sprake is van verheer. lijking van God „hymnis et orationibus" (Ree. III 62), of zelfs van smeekgebeden, die men in geval van ènoyt] vrror ten hemel zendt (Hom. XI 13), mede aan verrichtingen van de ter godsdienstoefening vergaderden wordt gedacht. Van den stijl der gebeden geven, zoo men wil, de enkelen die aan Petrus in den mond gelegd worden, l).v. bij de wijding van Zacchaeüs tot bisschop (Hom. III 72; Ree! III 66) eenig denkbeeld. Van een voorlezer in de samenkomsten wordt geen melding gemaakt. Daarentegen zijn onze schrijvers onuitputtelijk in waardeering van den doop.

De Recognitiones alleen zoeken rechtstreeks verband tusschen het staken van den offerdienst en de instelling van den doop. Ook de Homilieën achten, nawerking blijkbaar van het Essenisme, den offerdienst terwille van het daarbij behoorend bloedvergieten, en misschien zelfs vleeschgebruik i), een gruwel (Hom. II 44; III 24, 26, 3!), 45; XVIII 10), gelijk zij ook den eed ongeoorloofd verklaren (Diam. 1; Hom. IX 4; verg. Ree. I 67). De Recognitiones verzekeren bij herhaling, dat de doop er voor in de plaats gekomen is. ,,Ne forte putarent cessantibus hostiis remissionein sibi non fieri peccatorum", daarom, heet het, werd de doop ingesteld (Ree. I 39, 55). Of men al „mille ei aras et altaria mille" ontsteekt, ter verzoening met God is dit volstrekt machteloos (Ree. I C3). En niet alleen machteloos, maar schadelijk daarenboven. De offerdienst is uit den booze (Ree. I 37, 64, I\ 26; \III ;>1). Daarom maakte hij naar do heilsordening Gods plaats voor den doop. Aan betrekking tusschen doop en besnijdenis, als b.v. .Just. Tryph. 14, heeft niet een der beide schrijvers gedacht. Het is schier toevallig, dat die van Homilieën, of althans van de Diamartyria die er aan voorafgaat, bij den è/uieQhoftos moros de meeste betrouwbaarheid in geloofszaken onderstelt (c. 1). Verder maakt hij van de gansche plechtigheid geen gewag, en zoo al die van Recognitiones het „argumentum et indicium castitatis" schijnt te roemen, hij vermeldt het toch blijkbaar slechts als een historisch phenomeen (Ree. I 33; VIII 53). Maar hoe dan ook ontstaan, den doop achten zij beide hoog. Zelfs al hadde hij niet zoo groote verwachting van de uitwerking van het sacrament, de auteur van Homilieën zou het niet ter zijde durven stellen. Zich te laten doopen is nu eenmaal ro óól-av theö jiqóttsiv (Hom. XI 26). Er is een vó/ios, die wil dat geen ongedoopte het koninkrijk der hemelen ingaat (Hom. XIII 21). Daar heeft men zich bij neer te leggen. Men zou anders misschien geneigd zijn te meenen, dat de voortreffelijkste heidenen iia (HxpQatovvtjv fióvov konden behouden worden, of te gelooven in

') Fiom. III 45; \ li 4; VIII 15, 10; Schlieinann S. 223 ff.

Sluiten