Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geneigd allen oud-testamentischen zuurdeesem uit hun christendom te weren. Welke houding nemen in dezen de Clementijnen aan?

Hier voegt het ons een scheiding te maken tusschen de Homilieën en de Recognitiones, aangezien de eersten zich vrijheden veroorloven, waarvoor de laatsten, als meer geaccommodeerd aan het Catholicisme, oogenschijnlijk niet meer te vinden zijn.

De Homilieën nl. trachten ons in te wijden in een allermerkwaardigst iivoitfpiov rmv ygaqptbv (II 40; III 4).

Reeds terstond in het begin van den brief van Petrus aan Jacobus wordt — men zou zeggen: met catholieke jaloerschheid — de vastheid der joodsche kerk en kerkleer geroemd en die verklaard uit de methode van Schriftverklaring. Immers, ofschoon de ygatpai ei? Tiolla vevovoai zijn en de TiQoqpijzaiv tpiovaï nolvari/ioi, laat niemand zich er door van den weg brengen, daar men verstaat ra T(~>v yQnqmv aavfupmvn met elkaar te tmdoovt) ui'Qeiv en wel door ze uit te leggen y«iT<\ T<)v nagadoïïévTU xnvóva (c. 1). Er is dus tegenspraak en het schijnt wenschelijk die onschadelijk te maken. In de Homilieën zelve wordt van die tegenspraak een historische verklaring gegeven. Eerst na Mozes' dood werd de wet uit mondelinge overlevering opgeteekend. Die het deden bleken niet als Mozes profeten te zijn, anders hadden zij, als hij zelf, het nagelaten, voorziende den brand ten tijde van Nebucadnezar, waardoor het manuscript verloren zou gaan (Hom. III 47). Zoo kon het geschieden, dat aan de eigenlijke wet, die van goddelijken oorsprong was (Hom. XVIII 4), vreemde bestanddeelen werden toegevoegd. Reeds dadelijk b.v. het verhaal van Mozes' sterven, dat niet van Mozes zeiven afkomstig wezen kon (Hom. III 47). En dan ook werd amj/mn xaxiag door God toegelaten, dat zekere ytevdij in de Schrift werden opgenomen. En dit èiy.aiM nvi kóyco (Hom. III 5). Het geschiedde nl. jigo? doy.i/iijv nv&g(ónwv (Hom. II 38; III 5; XVI 10, 13). Tot die schriftvervalsching werd Satan in staat gesteld, opdat zij een middel zou opleveren, waardoor men de deugdelijkheid van der menschen godsgeloof op de proef kon stellen. Wie zich er door liet verleiden om onwaardige dingen aangaande God te denken, was de ware broeder niet (Hom. XVIII 19). Wie liever een deel der Schrift dan zijn zuivere godsvoorstelling prijs gaf, mocht worden aangemerkt als in het bezit van een oprecht geloof. De mensch zou te beoordeelen zijn naar het beeld, dat hij door de Schrift, gelijk door een stempel in de was, van God liet afdrukken in zijn ziel (Hom. XVI 9, 10). En wat van God gold, kon ook gezegd worden van zijn vrienden. Wat er min nobels te lezen staat betreffende de „zeven zuilen" der wereld, verdient geen geloof (Hom. II 52). Zoo kan er dus in vele gevallen sprake zijn van een vó&o? "/Qa<pri en wat zij behelst mag geacht worden te zijn neergeschreven dia rovg ava^iov? (Hom. III 17, 18).

De erkenning van deze waarheid is evenwel meer zaak van de

Sluiten