Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 2. Het Nieuwe Testament.

Het gebruik, van het Nieuwe Testament gemaakt door de Clementijnen, is bij herhaling het voorwerp geweest van nauwlettend onderzoek, deels in verband met de vraag naar den oorsprong der Synoptische evangeliën, deels in verband met gissingen aangaande de wordingsgeschiedenis der Clementijnen zelve. Men heeft er daarbij op gewezen, dat de inkleeding, die de lezers verplaatst in het apostolisch tijdvak, de schrijvers verplichtte het gebruik van schriftelijke bronnen zoo veel mogelijk te bedekken, en dat hun dit toch kwalijk gelukt is. Immers uitdrukkingen als jiov , <\)l<v/ov tiov , aUf] nov, XUo&i, (Hom. III 50; XVIII 17, 20; XIX 5, 12), in den' mond van sprekers die woorden van Jezus aanhalen, bewijzen dat zij die woorden in het een of ander schriftelijk verband hebben gedacht i). Evenwel konden de producten van oud-christelijke litteratuur in de schatting der schrijvers niet op ééne lijn staan met het Oude Testament. Van Schrift-gebruik in den kanonieken zin van het woord is dus te hunnen opzichte geen sprake. Als de strijd tusschen woorden als: ,,Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard" en: „Een rijk dat tegen .zich zelf verdeeld is zal niet bestaan", of de tegenstelling tusschen goedheid en rechtvaardigheid Gods in debat komt (Ree. II 32; Hom. XVII 4 vgg. XVIII 4 vgg., 15, 16), dan wordt niet als bij het Oude Testament aan tegenspraak in de Schrift of aan daemonische vervalsching gedacht, maar aan gemis van overeenstemming in de beginselen van Christus, den leermeester, zeiven.

Van die beginselen, 't zij dan in oorspronkelijke, 't zij in door apostelen geredigeerde formuleering, konden intusschen onze schrijvers behalve door overlevering slechts op de hoogte komen door litteratuur, en de vraag rijst, waaruit deze laatste bestond. Bij de beantwoording dier vraag vertoonen zich allerlei moeilijkheden. Afwijking van ons bekende teksten kan zoowel uit een slordige wijze van citeeren, als uit het gebruik van afwijkende redactiën te verklaren zijn. Omgekeerd kan overeenkomst met onze canonieke lezingen kunstmatig door overschrijvers zijn tot stand gebracht. Bij de Recognitiones voegt er zich de mogelijkheid bij, dat de vertaler door zijn bekendheid met bepaalde redacties werd geinfluenceerd. Voegt men bij dit objectieve bezwaar het subjectieve, dat de critici voor bepaalde hypothesen, 't zij dan betreffende de historia litteraria der evangeliën , 't zij betreffende de wordingsgeschiedenis der Clementina, voorliefde hebben, dan daalt naar evenredigheid de kans op een door velen aanbevolen voor allen aannemelijk resultaat. Aan de duisterheid van

') Verg. Credner, Beitrage I S. 282 f. HihjenfeM, Krit. Unterss. iiber die Evv. Justins 1850 S. 319; UMhorn S. 131; II. M. van Xe*, Het X. T. in de C'lem 1887 bl. 12 vg.

Sluiten