Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sten Markus und Johannes. Den Text behandeln sie frei in ihrem Interesse, selbst Aenderung nicht scheuend, zusammenziehend, combinirend und erlauternd. Daneben benutzen sie eine unkanonische Evangelienschrift, jedenfalls von secundarem Charakter, wahrscheinlich aus dem Stamme des Hebraer-Evangeliums" ')■ Wat de Recognitiones betreft verdeelde hij de citaten in drie groepen, bijeenvoegende die zij met de Homilieën gemeen hebben in hetzelfde verband, in een ander verband, en die zij alleen hebben. Bij de eersten speurde hij „grössere Annaherung an den kanonischen Text", in de tweeden „wörtlich den kanonischen Text", in de derden naast een zeker aantal, die met de canonieke evangeliën „genau zusammenstimmen", ook eenigen ,,stark abweichend." Deze laatsten verhinderden hem met een onverdeeld hart het jonger karakter der Recognitiones te proclameeren, waartoe alle anderen hem zouden noopen. Zij blijven hem een raadsel. Dat zij slechts voorkomen in de eerste drie boeken acht hij een vingerwijzing in de richting, waar de oplossing moet worden gezocht-). „Vielleicht spater" schrijft hij, en komt dan tot zijn hypothese, dat Recognitiones behalven de Homilieën ook nog een „Urschrift", die daarin verwerkt werd, kende en gebruikte. Die hypothese zal volgens hem alle bijzonderheden, en dus ook het pasgenoemde „Rathsel", voldoende verklaren. Het nader bewijs daarvan meent hij evenwel veilig aan zijn lezers te kunnen overlaten :;)-

In deze richting ging Dr. Lehmann met meer beslistheid verder. Hij eindigt zijn onderzoek met de verzekering: ,,So viel ist klar, dass der Verfasser von Ree. I III eine ganz andere Methode beim Citiren folgt als der Verfasser von IV—X"4), terwijl het van deze laatste hoofdstukken heet, dat zij „eine Vorliebe zum genauen Citiren bekunden" •>). Ook bij hem werd het opgemerkte verschil gesteld in dienst van zijn hypothese ter verklaring van het geheel.

Hadden al de genoemde auteurs zich hoofdzakelijk bepaald tot de vraag naar aard en aantal der evangeliën, die in de Clementijnen gebruikt werden; vond Lipsius hoogstens aanleiding om op bekendheid met enkele paulinische uitspraken te wijzen °), Dr. van Nes ten onzent gaf compleet: Het Nieuwe Testament in de Clcrncntincn"•). Zijn slotsom aangaande de verhouding tot de evangeliën, zich kenmerkende door de bewering, dat, behalven de Synoptici en misschien Johannes, het evangelie volgens de Egyptenaren, maar vermoedelijk niet het Hebraeër-evangelie, gebruikt zal zijn, deelt hij mee op bl. 97 vgg., waarna hij de betrekking onzer geschriften tot Handelingen, de Paulinische brieven, de Algemeene zendbrieven en de Apocalypse onderzoekt. De conclusiën luiden: „Slechts twee plaatsen, waar wij

1) S. J37. 2) S. 111, 145, 148, 150. ») S. 351 f. 4) Die Clem. Schriften, 1869, S. 141. 5) S. 120. c) Die Quellen der rórn. Petrussage, 187-, 8. 31, 38, 40, 43, 44. 7) Acad. Prnefschi', 1887.

Sluiten