Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk is, over drie perioden. De eerste valt samen met den bloei der Sophistiek, van Hadrianus tot Alexander Severus. De volgende reikt tot Keizer Constantijn en vertoont weinig leven. In een derde, na hem, ontwaakt weer de phantasie1).

Een tijdgenoot van Lucius Verus en Marcus Aurelius was de Syriër Jamblichus, auteur van Babyloniaca, volgens Suidas een werk in 35 of 39 boeken, waarvan de 16 eersten door Photius2) werden geëxcerpeerd. Het verhaalt, hoe Sinonis, als een andere Sulamitische, Rhodanes boven Garmus, den koning van Babel, verkiest en, ontkomen aan al zijn vervolgingen, met haren geliefde tot vorstelijke heerlijkheid komt3). „Ein Liebespaar, von einem gefahrlichen Feinde verfolgt, ruhelos durch die Lander irrend; Verfolger und Verfolgte immer hinter einander herjagend; wechselnde Cnglücksfiille, je seltsamer desto besser; Steigerung der Noth bis zum liöchsten Puncte, und immer wieder eine unerwartete, zufallige Errettung im letzten Augenblick; zuletzt der Triumph der Tugend und ein Ende in voller Glückseligkeit", met die woorden karakteriseert Rohde het geheel, daarbij melding makend van zeker vertoon van antiquarische geleerdheid , waarmede de auteur zijn bont tafereel heeft opgesierd ')• — X e n ophon van Ephesus gaf de Ephesische geschiedenissen van Antheia en Habrokomes 5), een minnend paar, dat in het oneindige omzwerft, alleen omdat een orakel hun een onrustig leven vol gevaren en beproevingen had aangezegd. Zij zouden het middel zijn, waardoor hun echtelijke trouw moest blijken*'). Het werk bestond uit vijf boeken, zoo deze niet reeds een uittreksel waren uit een omvangrijker geheel"). Rohde stelt het in den overgang van de tweede tot de derde christelijke eeuw8). — Een weinig jonger zal het grieksche origineel der Geschiedenis van Apollonius van Tyrus geweest zijn, indien men althans gebrekkigen samenhang, mengeling van heidensche en christelijke bestanddeelen, onevenredigheid in den stijl en dergelijken mag aanmerken als bewijzen, dat zoodanig origineel aan het latijnsche, in later eeuwen zoo populair geworden geschrift van dien titel ten grondslag gelegen heeft!l). Het is het verhaal van Apollonius' minnarijen, achtereenvolgens met de dochter van koning Antiochus en koning Archistrates, en van zijn omzwervingen tot aan zijn aanvaarding van Antiochus' kroon111). — „Allerspatestens in die zweite HSlfte des vierten Jahrhunderts", liefst niet ,,über die zweite Halfte des dritten Jahrhunderts herunter", plaatst Rohde1') de Aethiopica van „Heliodorus", pseudoniem wellicht van een neopythagoraeër, die de eer genoten heeft later met een bisschop van Trikka vereenzelvigd te worden12). Het geldt de lotgevallen van Theagenes en Chariklea, almede slachtoffers

1) S. 358 ff. 2) Bibl. !J4. s) Kohde 8. 300 ff. 4) 8. 378, 380. •') 8. 382 ff.

6) S. 3! 10 f. 1) 8. 401 f. *) 8. 388 ff. '•') 8. 413 ff. 1(l) S. 408 ff. ") 8. 403 ff.

K) 8. 432 ff.

Sluiten