Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de Homilieën heeft Simon het ook over Petrus' waardeering van zijn persoonlijken omgang met Jezus. Zijns inziens laat Petrus zich daarop ten onrechte voorstaan. Een mensch blijft een raensch, zegt hij, en kan feilbaar zijn, maar rechtstreeksche godsopenbaringen geven onmiddellijke zekerheid. Petrus van zijn kant beweert, dat openbaringen ook aan goddeloozen ten deel vielen, zooals aan Abimelech, Pharao, Nebucadnesar, en van daemonen afkomstig kunnen zijn, of van een vertoornd God; waartegenover hij dan stelt de nietvisionaire wijze, waarop hem persoonlijk het licht opging, toen hij zeide: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" en deswege zalig geprezen werd. Het dispuut over dit onderwerp ') eindigt straks met de volgende merkwaardige woorden, door Petrus gericht tot Simon: „Indien dan ook aan u onze Jezus, in een gezicht verschenen, bekend werd en hij u toesprak, dan heeft hij als vertoornd op een tegenstander juist daarom door gezichten en droomen of ook uitwendige openbaringen tot u gesproken. Of kan iemand door een gezicht wijs worden tot leering? Indien gij zegt, dat dit mogelijk is, waarom heeft dan de leermeester het gansche jaar door tot' wakenden gesproken ? Hoe zullen wij zelfs gelooven, dat hij u verschenen is? Hoe kan hij u verschenen zijn, daar uwe gevoelens in strijd zijn met zijne leer? Indien hij ook maar een enkel uur aan u verscheen en u onderrichtte en gij daarom apostel geworden zijt, verkondig zijne uitspraken, vertolk wat hij gezegd heeft, heb zijne apostelen lief, bestrijd niet mij, die met hem omgegaan heb. Want als een tegenstander hebt gij mij weerstaan, die een vaste rots ben, het fundament der kerk. Indien gij geen weerstrever waart, zoudt gij niet, mij afbreuk doende, mijne prediking belasteren, opdat ik niet geloofd zal worden in mijn verkondigen van wat ik zelf bij persoonlijke tegenwoordigheid van hem gehoord heb, alsof ik verwijt verdiende in plaats van lof. Als gij zegt, dat ik te berispen ben xareyvcoofiévov — dan klaagt gij God aan, die mij den Christus openbaarde, en beleedigt gij hem, die om deze openbaring mij zalig prees. Maar zoo gij werkelijk de waarheid bevorderen wilt, leer dan eerst van ons, wat wij van hem geleerd hebben, en wees als leerling der waarheid onze medewerker"-).

Hier wordt rechtstreeks de Paulus van Gal. 2:11 en 1 Cor. 9 : 27 en misschien van Hand. 9 vereenzelvigd met Simon magus. „En omdat hier de vereenzelviging van beide typen zoo onweersprekelijk is, heeft men gemeend die ook elders te mogen erkennen. De Èyjiooq uv&Qconos uit den brief van Petrus aan Jacobus, aan wiens bedenkelijke prediking sommigen uit de heidenen gezegd worden boven de wettische van Petrus de voorkeur te geven •>), en de jiXovoq tis, die naar Hom. II 16 aan den verkondiger van het ware evangelie heet

i; Hom. XVII 13—11», verg. XV1I1 !». 2) Hom. XVII li». 3) c. 2, 3.

Sluiten