Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tische quaesties boven theoretische1), het verband tusschen de goedheid en de rechtvaardigheid Gods -), dat tusschen onsterfelijkheidsgeloof en rechtvaardigheidsleer:i), onderwerpen, die slechts zeer ten deele voor den strijd tegen het Marcionitisme van waarde zijn. Dit alles is weinig actueel, terwijl in hooge mate kunstmatig is de wijze, waarop eerst door een derde gedeelte van het publiek, daarna door „perpauci" en eindelijk nog slechts door een enkele de partij van Simon tegenover Petrus gekozen wordt4). Ook van de samenvatting van Paulus en Marcion, zoo natuurlijk in een tijd, toen men het zitten ter rechter en ter linker zijde van den Heer ,,de Paulo et de Marcione" verklaardeó), bleef niet veel over. Integendeel wordt de ,,homo inimicus", die te Jeruzalem en te Damascus woedt, uitdrukkelijk van Simon magus onderscheiden. Eerst treedt de een en dan de ander op1'), niet ongelijk aan de wijze, waarop in het boek der Handelingen de toovenaar, die de zinnen des volks in Samaria verrukt, en Paulus, die dreiging en moord ademt tegen de gemeente, nevens elkander gesteld worden, en misschien wel met dezelfde tendentie. Als bron voor de kennis van het Marcionitisme en zijn bestrijding door de judaistische partijen gaan de Homilieën in waarde de Recognitiones te boven. In de eersten speuren wij een levende polemiek, in de laatsten weinig meer dan een litterarische reflex er van. Wat niet belet dat ze beiden, schoon dan in ongelijke mate, als kenbronnen voor de geschiedenis van het Marcionitisme te waardeeren zijn.

Een antwoord op de vraag naar de verhouding tot andere richtingen is minder gemakkelijk te geven"). Vooreerst, omdat die richtingen bij eigenaardige verschillen ook dingen met elkander gemeen hebben. Veel b.v. van wat het Marcionitisme kenmerkt, wordt ook bij andere gnostieke secten gevonden. De beelden, die Irenaeus er van ontwerpt, dekken in verscheidene punten elkaar. ,,Die drei angebliclien, samaritanischen Sektenstifter Dositheus, Simon und Menander", kon Baur schrijven8), ,,sind immer wieder dasselbe Wesen." „Secundum nullam sententiam haereticorum verbum Dei caro factum est", zegt Irenaeus '•'), of met andere woorden: zeker doketisme hebben alle ketterijen met elkaar gemeen. Ook op het punt van de „resurrectio carnis" was de eene al zoo ongezeggelijk als de andere, allen gelijkelijk van oordeel, ,,nihil superesse post mortem" l0). Wie zal bij zulk een staat van zaken steeds beslissen, aan welke secte een polemicus bij het behandelen van het een of ander twistpunt bij

1) Ree. III 37, verg. 20, 21. 2) Ree. III 38, verg. Hom. XVIII 1, 2.

3) Ree. IH 40. 4) RW. n 70; III 30; III 49. 8) Orig. in Luc. Hom. 2.").

6) Ree. I 70—72. ') Een paar woorden van Hort daarover zie Notes j>. 100 ff.

,s) Die Gnosis S. 410. a) c. Ilaer. III 11, 3. 1H) Terl. de resurr. 1; verg. Meij-

bnom, Marcion, bl. 105 vgg.

Meij boom, De Clemens-Roman. II. 13

Sluiten