Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou toe te kennen zijn1). Wij zeggen weer: de voorstelling van de e'vvoia als Simon's Helena moge ouder zijn dan het ontwikkeld Valentinianisme, zij leeft er toch in voort, en waarom zou dan niet minstens de mogelijkheid worden aangenomen, dat sporen van de leeringen der secte van invloed geweest zijn op wat de auteurs der Clementijnen te boek stelden? Mits de mogelijkheid in dezen maar niet met zekerheid worde verward!

Uhlhorn zelf verwacht meer heil van nasporingen in den gedachtenkring der Simonianen. Daarbij stuit hij evenwel op het probleem, of dit een historische dan wel een gefingeerde secte is, en hun hoofd Simon een persoonsverbeelding dan wel iemand uit de werkelijkheid. Hij acht het hypercritiek aan dit laatste te twijfelen. Dat Justinus melding maakt van Simon's succes te Rome-), Irenaeus van „Simoniani" te verhalen weet8), en Hippolytus een 'Anócpaoig fieydh/ op naam van Simon kende4), is hem bewijs genoeg, dat Simon niet „die allgemeine Firma" van het gnosticisme was "'). En dan tracht hij aan te toonen, hoe de figuur in de Clementijnen, voor zoover zij niet uitdrukkelijk als draagster van andere leeringen diensten te doen had, „Niemand anders ist als Simon selbst""). Als zoodanig zal hij de drcordrtj dvvajuig zijn, foto)g, ara?, nrrjaó/tevog. Dat hij de wet allegorisch verklaart (Hom. II 22), komt overeen met de exegetische methode der 'Anótpaaig. Aan zijn verwerping van de onsterfelijkheid (Hom. II 22) beantwoordt de leer, dat de dvva/iig, die niet tot êvégyeia komt, met den dood des menschen verloren gaat'). Het verhaal van den homunculus (Hom. II 26; Ree. II 13, 15) is een „Persiflage der Simonianischen Lehre von der Verbildlichung der göttlichen Macht im Menschen" en zal in verband staan met het feit, dat de Simonianen „imagines" en „figuras" hadden8). Het verblijf van Helena in Tyrus en hare qualificatie als het „verloren schaap" !)) strookt met de voorstelling van Simon's betrekking tot Justa de Syrophoenicische (Hom. II 19) 1°).

In deze combinatiën is zekere scherpzinnigheid, om niet te zeggen spitsvondigheid. Intusschen laat in andere opzichten de overeenkomst den criticus in den steek. De syzygie vovg en èmvoia valt niet samen met die van <poovt] en ovojua u), al wordt elk harer in die van [jfaog en athjvrj — Luna (Ree. II 12) — afgebeeld. Van twee verschillende engelen, waarvan de eene de Schepper en de andere de Wetgever is (Hom. III 2, verg. Ree. II 49), „horen wir in den Philos. und bei Irenaus nichts." De mededeeling, dat Simon Gerizim in de plaats

1) S. 289 f. 2) Apol. I r>6. 3, c. Haer. I 23, 4. *) Philos. VI 11.

•r') S. 290 ff. verg. IliUj. Apost. Vat. S. 241. 6) 8. 293. ') Philos. VI 12, 14.

S) Iren. 1 23, 4; Philos. VI 20. ») Philos. VI 19. *>) g. 293 ff. ») Philos.

VI 12, 14.

Sluiten