Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestuur diensten deed als rechterhand Gods'). "Uvan ai /ikv d>g ipvyjj T(ö ihiö. exze/vezai de aji avzov co? "//t'J -)• Door die samenvoeging is God een fiovng en een övdg tegelijk. Zoovaak die ziel Gods werkzaam naar buiten treedt, valt zij samen, 't zij met den vióg zov êeov, 't zij met het jtvev/ua aytov, het eerste in hoedanigheid van wereldscheppende macht:i), het laatste als de godsopenbaring in de menschheid J), ofschoon de verschillen ineen vloeien5). Hier ligt dus het gevaar van een scheiding voor de deur, en te meer, als straks die vióg vereenzelvigd wordt met den Christus ,;), van wien het heet, dat hij ajt' ugyj~jg auövog atjua zoïg ovóunm /uogqpAg êtHaoowv zóv dywva ioh/n, telkens in nieuwe „zuilen" zich verheffende, totdat aan het eind de avdnavais hem wacht"). De „monas" zou kunnen ophouden monas te zijn en in een ,,duas" uiteenvallen. Mouotheisme zou ditheisme kunnen worden. De schrijver der Homilieën is zich van dit gevaar bewust en verweert er zich tegen. ïï; ovv tov dyevt/tov idiov zo deog elvru, ovzcog Jiav óziovv yevó/uevov fteóg zcö ovzi ovx eaziv, zegt hij8). En als er in het dispuut tusschen Petrus en Simon van de goddelijkheid van den Christus sprake is, herinnert de eerste er aan, dat de Heer zich zeiven niet voor êeóg uitgaf, maar zalig prees die hem vlos fleov noemde. Als de laatste dan meemt, dat het dxó Oeov eivai het f)eóg elvru insluit, vervolgt Petrus: tov jiazgog zo fitj yeyevvfjnDru êoziv, vlov dk zo yeyevvijoïïac yevvtjzóv Sè nyevvijzco i) xai avzoyevvtjzq) ov ovyxgivexau, en: 6 /1!) y.azd jtdvza zo avzo ov zivi zag avzag avzcp rrdaag ey/iv TiQoaoywfilag ov övvazai. Het goddelijke, het oneindige, het allerhoogste zou ophouden als zoodanig te bestaan, als het die praedicaten met anderen deelen moest1').

Deze afkeer van wat naai' polytheisme zweemt belette evenwel niet, dat de auteur, zoo goed als Matth. 28:19, zijn trinitarische doopformule had en die als de zgia/iaxagïa ênovojuaoia verheerlijkte l"). Ook gingen zijn opvolgers in de richting van Christus-vergoding of triniteit aanmerkelijk verder. Betreffende Recognitiones merkten wij dit reeds op li). De Epitome's eischen geloof eig eva êeov jtazéga

JTWTOXQdTOQCl Xdl £l£ TOV flOVOyEVfj (ivtov viov TOV JIOO TO)V (ll(JÜV(i)V

e'f avzov dtpQÓozwg yevvi/Oévzn xai eig zó nvev/xa zó ayiov zó ê£ avzov dggi'/ziog êxjtogevo/uvov. Zij verkondigen een eenigen God êv zoiaiv vxonzaaeaiv1-). En vooral de hoofdstukken, die men in Recognitiones van jonger datum geacht heeft (III 2—11), wijden over het onderwerp uit. Aan het betoog der Homilieën doet denken het beweren: „Unum ast enim principium, quae autem post haec sunt, abusive dicuntur principia !•>). Ook dit andere, dat God de schepping van den Zoon

1) Boven bl. 121. 2) Hom. XVI 12. 3) Hom. XVIII 6, 13. *) Hom. III 17, 20. 5) Verg. Hom. XI 22. 6) Verg. Schliemann S. 139 ff. ') Hom. III 20; verg. boven bi. 135. s) Hom. X 10. 9) Hom. XVI 15-17. 10) Hom. IX 191 23; XI 2ö; XIII 4. u) Boven bl. 122. 12) c. 17. I3) c. 3.

Sluiten