Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water en lucht als getuigen worden aangeroepen i). En daarbij het Esseensche maal van brood en zout 2). En daarna een huiveren van ontzag1). Dit alles is Esseensch, gelijk ook de benaming di'y.moi en oaiot voor de getrouwen '). Zelfs de vergelijking van den veiligheidsmaatregel ten opzichte van de boeken der Petrinische prediking met de wijze, waarop Mozes de overlevering aan de Zeventig toevertrouwde, strookt met de pretensie der Essenen, dat zij als de opvolgers der Zeventig in het bezit dier overlevering zijn ;>).

En met het Pythagoraeisme deed, volgens Zeiler, het orphische mysteriewezen zijn invloed op het Essenisme en daarmee via het Ebionitisme op het Christendom gelden(1). De orphische theogonie kwam in de Clementijnen ter sprake"). Natuurlijk om er tegen te polemiseeren. Maar de mysteriën kunnen op andere wijze van invloed geweest zijn. ,,Ans einer Verschmelzung dieser Ascese und Mystik mit der jüdischen Religion kan het Essaeïsme te voorschijn gekomen zijn 8). En voor het Christendom kan het verder den weg bereid hebben door geestelijk onvermogen te doen openbaar worden en geestelijke behoefte te wekken, en vooral door in klimmende mate de bestemming des menschen ,,aus dem Diesseits in 's Jenseits" te verplaatsen •'). Ook van dat „Jenseits" zijn, gelijk trouwens al de oud-christelijke geschriften, de Clementijnen vol.

Zoo vullen zij in velerlei opzicht een belangrijke bladzijde in de geschiedenis van het Judaisme. Waar de grens ligt tusschen het Jodendom en het Christendom, is bij gebrek aan helder inzicht in het schemerig verleden met den vinger niet aan te wijzen. Nog pas is er geschil geweest over de vraag, of het boek der Jubilaeën een joodscli dan wel een joodschchristelijk verweer is tegen een antinomistisch christendom 10), het boek der Jubilaeën, waarin met dezelfde eenzijdigheid als in de Homilieën van de patriarchen slechts het goede wordt geleerd "). De kettergeschiedenis in elk geval wart joodseh en christelijk gnosticisme dooreen 12). „Judenthum und Judenchristenthum" zijn twee, maar zij staan in het allernauwste verband. Te zamen vormen zij de gedachtensfeer, waaruit de Clementijnen zijn voortgekomen en waarin zij voor een goed deel hun verklaring vinden, gelijk zij er wederkeerig hun licht over doen opgaan. Voor de kennis van de rechterzijde van het oorspronkelijk Christendom zijn mitsdien deze Clementijnen van waarde bij uitnemendheid. Zij blijven dit, ook al spreekt men met Harnack van een „literarisch-

!) S. 218; Mam. c. 2, 4. 2) Diam. c. 4. 3) Diara. c. 5. 4) Diam. c. 1. 5) jy,,.,. Praep. evang. VIII 10, lOs. C) 8. 225 ff. 204 ff. ') Hom. V 15; VI 3, 5, 12; Kee. X 17, 30. 8) Zeiler S. 205. 9) S. 208. W) Theol. Tijdschr. 1900! lil. ;> vgg. U) 1,1. 12 Vg. 12) Verg. M. Frirdlander, Der vorehr. jiiil. Gnostieismus, 1899; A. Ifunig, Die Ophiteu, 1889; Hirsch Gratz, (luosticisnius mul Judenthum, 1S40.

Sluiten