Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

katholische" bewerking der stof, oindat men een „synkretistisch"judaistische historisch niet te plaatsen weet 1).

Eindelijk mogen wij hier nog vluchtig herinneren aan het boven -) aangaande de verhouding tusschen pseudo-Clemens en Irenaeus opgemerkte. Indien wij het nog eenigennate wilden aanvullen, het zou moeten zijn op het punt van zonde en vrijen wil. Bij Irenaeus (IV 37, 2) wordt betoogd, dat lieden, die </ vaei goed of slecht waren, ènaivEToi noch (iejijitoi zouden zijn, daar slechts bij vrijheid van verantwoordelijkheid sprake wezen kan. Ook, dat er zonder vrijheid geen grond bestaan zou voor een prophetisch jtuQmvélv. Aan het eerste verwante opmerkingen vinden wij Hom. IX 8; Ree. III 52; IX 1. Dat leering en tucht zouden ophouden doeltreffend te zijn, wordt in verschillende bewoordingen gezegd Hom. VIII 4; XIX 15; XX 3; Ilec. III 22, 2(>; VIII 51, 52; IX 30. En klimt men hooger op, zoekend naar de verhouding tusschen het satanisch zondig willen en de almacht Gods, men ontmoet een gelijksoortig pogen om God bij behoud van souvereiniteit te ontheffen van alle verantwoordelijkheid voor het bestaan des kwaads. Men leze Hom. VIII 17; XIX 12—15; XX 2, 3 en vergelijke daarmee wat Irenaeus zegt. ,,Nihil in totum diabolus invenitur fecisse, quum et ipse creatura sit Dei", heet het Iren IV 41, 1, waarop dan volgt (41, 2): „diabolus sibimet ipsi et reliquis factus est abscessionis causa." Van het eeuwige vuur wordt V 26, 2 gezegd, dat het voor den y.ar idiar yrw/xtjv van God afvallig geworden duivel bereid is, en als godslastering wordt het gebrandmerkt, als Satan bij monde van zekere kettersche leeraars — Irenaeus brengt hier Justinus hulde — ti/v a/uuoTtuv rT/g ïdiag ajiomaoiaq r<o èxrixón urn))' anoxahï, uXX' ov rij Idiq avdauotrrep yvtó/jjj, in den trant van sommige wetsovertreders, die onder den indruk der straf den wetgevers en niet zich zeiven verwijten doen. Zooals gezegd, wij zoeken bij het opmerken van deze en dergelijke punten van overeenkomst niet naar bewijzen voor eenigerlei schriftelijke afhankelijkheid. Van prioriteit of posterioriteit of gemeenschappelijke bron is hier geen sprake. Maar wel van een geestelijken bodem, die beide litterarische producten met elkaar gemeen hebben. Gelijk er een niet nader aan te wijzen verband is tusschen Justinus en het Vierde evangelie, zoo ook tusschen Irenaeus en pseudo-Clemens. Het zou onvoorzichtig zijn die betrekking nader te formuleeren, maar evenzeer onwetenschappelijk haar over het hoofd te zien.

§ 3. Apologetiek en polemiek.

Na het eigenaardig theologisch standpunt der pseudo-Clementijnsche litteratuur en haar verhouding tot verwante richtingen overzien te

!) Verg. Dogmengcsch. I S. 238 ff. -) 1)1. vg. MKIjBOOM, J)c C/emcm-Roman. II.

14

Sluiten