Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heet, verdedigt het in weinig beminlijken vorm i). Het geldt de vraag, of de onderscheiding tusschen goed en kwaad van goddelijke dan wel van menschelijke vinding is. Diefstal heet gerechtvaardigd dooide inhaligheid van den bezitter, terwijl immers het gestolene „oportebat libere sumi et publice." Evenzoo: gelijk ieder vrijelijk over licht en lucht beschikt, zoo behoorden onder vrienden „omnia communia" te zijn, en mitsdien ook de „conjuges." Welke Grieksche wijze bedoeld wordt, blijkt niet. Vermoedelijk Plato-), of anders Pythagoras:!). Ook de Stoïcijnen hebben in den persoon van Chrysippus van vrouwengemeenschap gedroomd '). Intusschen doet de geheele passage, vooral om de parallel die er getrokken wordt tusschen de natuur en het zedelijke leven, het allermeest denken aan de beruchte leeringen, die Clemens Alexandrinus vermeldt als afkomstig van den Carpocratiaan Epiphanes •">). Dat de schrijver aan tempering van de „inaequalitas" voorloopig nog niet denkt, tenzij dan door verzachting van het lot der minst bedeelden, waarbij daarenboven nog de ,,misericordia pauperum", die hij aanbeveelt, vereenzelvigd wordt met een zelfzuchtig „juvare poenitentiam"«), schijnt te blijken uit zijn bestendiging der slavernij. Immers naast een „alium dominari", dat hij onvermijdelijk acht, stelt hij een even onvermijdelijk ,,alium servire" "). Ter verklaring dient hem, dat tijdens de dertiende generatie een zoon van Noach „posteritati suae ex maledicto conditionem servitutis induxit"«). Daartegenover beschrijft hij dan met zeker welgevallen de pracht der groote huizen. ,,Est mihi aedes amplissima, quae plus quam quingentos recipiat viros, est et hortus intra domum", zegt Maro, de gastheer van het christelijk gezelschap, en Petrus kan er als redenaar plaats nemen „supra basin quandam, quae forte juxta horti parietem stabat" '■>). De aanzienlijke Laodicenser desgelijks, die het gezelschap ten zijnent noodigt, heeft daarvoor „omnem paene domum vacantem, lectosque stratos quamplurimos et quae necessaria sunt parata" lü). Theophilus eindelijk ,,cunctis potentibus sublimior", richt „domus suae ingentem basilicam" tot een vergaderplaats voor de gemeente en tot een zetel voor haren bisschop Petrus in'i). Wij erkennen in dit alles een spiegelbeeld van maatschappelijke toestanden, gelijk ook in de tegenstelling der Homilieën tusschen de verwijfden met atvóóvsg, day.rvMa en vjiodrjae.15, met f/öéa xat JioXvrekij oya, alles veelkleurig en kunstig toebereid, en de leefwijze der Ebionieten met een eenvoudig Tiuftiuviov en de sobere uit uqtos uóvog, êXnïm en (oxavicos) Myava bestaande spijs !-).• Dat volgens deze laatsten

Ree. X 5; verg. Hom. IV 20. 2) Zeiler* II 2 S. <108 if. 3) I 1, 8. 317. 4) III 1, 8. 2!)4. 5) Stroni. III 2, 0—S>; zie Uiig. Ketzergeseh. S. 405; Mcijb. Tweede eeuw, hl. 1<>2. 6) Ree. \ 43. 7) Kee. IX 7. Kcc. I :{<>. ») Ree. IV 2, 0, 7; verg. Hom. VIII 2, 5, 8. 10) Ree. VIII 35 , 36; IX 38. ") Ree. X 38. !-) Hom. XII (i; XV 7.

Meijboom, /v Clememt-Romüii, II. ]")

Sluiten