Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

Effect, die Gewohnheit sich in Phrasen zu berauschen und in ein permanentes Pathos hinaufzuschrauben, eine innerlich unwahre Schönrednerei bis auf einen ge wissen Grad zur zweiten Natur werden: um so inehr, da hier gerade das Gekünstelte und Gesuchte, das Ueberraschende und Blendende, auch das Ueberkühne und Ungeheuerliche des lautesten Beifalls gewiss zu sein pflegte." Tegen den achtergrond van deze rhetorica met hare bedenkelijke werking i) plaatse men nu de Clementijnen, en men heeft de verklaring voor hun uiterlijken vorm, terwijl zij omgekeerd de geschiedenis dier rhetorica met een enkele bladzijde verrijkten. Gelukkig pogen zij zich materieel aan te sluiten aan die leermeesters der uiterlijke welsprekendheid, die met de Stoicijnen leerden, fxóvov tov ao<pbv ótjiogixov elvat-).

Het is hier de plaats om mede de aandacht te vestigen op wat de Clementijnen aan bijdragen leveren tot de kennis van de wijze, waarop de ouden hun gemoedsaandoeningen kenbaar maakten. Voor de physiologen zijn die uiterlijke teekenen van innerlijk leven bij mensch en dier een punt van groote belangstelling geworden. Men denke aan Darwin's beroemd werk over het onderwerp. Aan „die Gebarden der Griechen und Römer" heeft Carl Sittl een ernstige studie gewijd 3). Met gebruikmaking van het rijkste materiaal behandelt hij de stof in den ruimsten omvang. „Fingerrechnen" zelfs is de titel van een hoofdstuk. Een over „Ausdruck von Gefühlen und Gemüthsbewegungen" en een tweede over „der Beifall" openen de rei. Over „Konventionelle Begrüssung" en „Ehrerbietung" wordt gesproken. Ook over „symbolische Gebarden" en „Gebarden des Gebetes." Op alle deze punten wordt een overvloedige litteratuur geraadpleegd. Maar de Clementijnen komen onder de aangehaalde werken niet voor. Toch behelzen zij nog wel het een en ander, waarmee het ontworpen tafereel kan worden aangevuld. Men denke aan de verbeten handen van Clemens' moeder (Hom. XII 13). Van iets dergelijks gewaagde Sittl niet. Wel van het uitrukken der haren en het openrijten der wangen. Ook van een pijnlijk handenwringen. „Manibus inter se usque ad articulorum strepitum constrictis", lezen wij bij Petronius, „articulorum crepitum cum se ipsae manus frangunt" bij Seneca. Van een jiiéCeiv der vingers, een ocpiyyeiv der handen is sprake J). Matthidia evenwel had slechts een oyjj/ua van handen overgehouden; zij waren te eenenmale vexoai geworden, vjio dtjyfnxTMV fiefiaoaviotiêvm. Tot bedelen slechts was zij dientengevolge nog in staat. Men denke ook aan de opgewondenheid, waartoe Petrus zich laat verleiden door de proeven van een goed geheugen, die Clemens voor hem aflegt (Ree. I 25). „Gaudio perfusus et tanquam

1) Friedlaiider S. 387 ff. -) Diog. Laërt. VTT 42, 122. :i) Tjeipzig, 1890. i) S. 23.

Sluiten