Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. 14. Lchm. S. 392, 397: ,,Jene echt gnostische und auch in specie marcionitische Vorstellung von einer Gott feindseligen Hyle widerlegt Petrus . . . sehr energisch."

c. 17. fióvo?. Uhlh. S. 180: „ ... oline Frage ist hier uovaoy^ zu erganzen, und dann liegt auch hier die Ewigkeit der vit] ausgesprochen." Verg. Möller, Kosmol. S. 468.

za/ieïov. Over lezing en interpunctie van den met dit woord eindigenden volzin zie de uitgaven en Wieseler p. 314. Dressel vertaalt: ,,Neque contendi potest, semper exstitisse substantiam, quippequae, ut materies, fuerit Dei cella penaria." Ook voor duisterheden in de beide volgende hoofdstukken is kwalijk opheldering te vinden.

c. 19. uvv h<k. Uhlh. S. 199: „Offenbar ist ovóevós zu lesen." y.nl Tijirtjv. id.: „Offenbar y.nlzoi

Twintigste Homilie. c. 1—10. Lehm. S. 430 ff.

c. 2. TQiToyevéi. Uhlh. S. 190: „Sollte zezgnyevég zu lesen sein?" c. 3. oï>oTj? yvió/utjs. Möller, Kosmologie S. 46o, leest: ov ti)s yv. c. <>. Uhlh, S. 182: ,,Es kann keine Frage sein, dass hier die vit] als Gottesleib gefasst vvird . . . auf pantheistischem Boden."

orx eyovreg. Möller S. 469: „Vielleicht ist zu emendiren: ov% exovzee."

c. 7. De vertaling van den laatsten volzin beantwoordt gebrekkig aan het origineel, dat door termen als ai) jingovof] zgojztj en zoamvza ter nauwernood verstaanbaar is. Dressel: ,,Dei potestas essentiam corporis quando et in quodcunque vult convertit, et similis substantiae, non autem aequae, commutatione peracta procreat. Ita creator et in aliam essentiam commutata in se revertere potest, etc.

c. 8. Uhlh. S. 180 wil achter zov novr/gov invoegen: // yéveaig avztj en achter rs.odih] evenzoo xat. Ook wil hij (S. 358) met Dressel Mtyructï door een ander der Hom. II 1 genoemden vervangen. Möller S. 465 f. wil êjieytvezo na een vorig ynioovan jzgoaigeou; verplaatsen, c. 11—23, verg. met Ree. X 52b—6oc, zie boven bl. 52. c. 13. Zie boven bl. 83.

c. 15. èm 'Ioi'daiuv- Legenden betreffende Simon's uiteinde zie Hilg. Z. f. w. Th. 1903, S. 335 ff.

RECOGNITIONE S.

Allereerst zij hier plaats ingeruimd voor de mededeeling van J. O. F. Murray, in de voorrede van diens uitgave der Xofcs ïntroductory to the study of the Clementine Recogniüons van F. J. A. Hort (London 1901 p. V), dat in diens bezit is een door Hort saam-

Sluiten