Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE NATUUR.

zeegen, dat het nog niet eens in staat is zulk een schepseltje te maken.

Zoo ook is het groeien van het graan op het veld, het: „eerst het kruid daarna de aar, daarna het volle koren in de aar, waarop Tezus' wees in Zijn gelijkenis van het zaad (Markus 4 : 28), natuurwerking. Het geschiedt „vanzelf", uit eigen beweging spontaan Want de aarde brengt vanzelve vrucht voort, laat de Heiland aan Zijn woord voorafgaan. En evenzoo zijn bij een mensch het groeien van zijn haren, het verteren van zijn voedsel, zijn hartklop en Polssla& natuurwerkingen. Zelfs hoesten en niezen, en de hand aan het hootd brengen om het te beschermen tegen een vallenden steen, zijn geen handelingen, maar onwillekeurige bewegingen, niet opkomend uit onzen wil, maar terugwerkingen op zenuwprikkels

Een oude, maar juiste onderscheiding maakt dan ook verschil tusschen de werkingen van een mensch" en „menschelijke werkingen", en verstaat onder de laatste de „handelingen" in den ruimsten zin

Al nu wat in zijn wording, zijn ontstaan, niet hangt aan menschelijk willen, noemen wij een „natuurding" en staat dus tegenover een artefact of wat „door kunst is gemaakt", en naast datgene, wat product is

van handelen. , „

Het geheel dezer natuurdingen noemen wij de „natuur .

Zoo zijn de zon, de maan en de sterren; de aarde met haar dampkring haar zeeën, bergen en dalen; planten en dieren en ook, althans in dit opzicht, de menschen „natuurdingen", en dat alles saam weer

"^De^;natuur" is dus nog iets anders dan de stoffelijke, de zinnelijke of, naar den hoogsten der zinnen, de zienlijke wereld.

Zij is daarvan slechts een deel.

Immers in onze zinnelijk-waarneembare wereld vinden wij ook wat door kunst is ontstaan, b.v. akkers en huizen en schepen, tempels en paleizen, en ook wat vrucht is van menschelijk handelen, b.v. onze beleefdheidsvormen, onze beschaving, ons geordend maatschappelijk

verkeer, onze staatsinstellingen. _

Natuur" in den allereersten zin van het woord, is dus dat deel onzer

zinnenwereld, dat zonder te hangen aan ons willen, geworden, gewrocht

is Als wij des avonds opzien naar den sterrenhemel, bewonderen wij de natuur; de verschijnselen van den dampkring: storm en onweder, sneeuw en regen, en ook de lichtende blauwe wolken bij mooi weer, zijn voor ons natuurverschijnselen. En op de heuvelen en bergen, en in het dichte woud, en tusschen de graanvelden en aan het zeestrand, smaken wij natuurgenot.

Maar nu is er ook nog een andere zin, dien wij aan het woord „natuur" hechten.

Wij nemen toch niet slechts met onze zinnen waar, dat er natuurdingen zijn, maar ook, dat er aan die dingen verandering of beweging is. 's Morgens vroeg staat voor ons de zon op een andere plaats aan

den hemel dan 's avonds.

Een stuk ijzer, aan de lucht blootgesteld, zullen wij onder zekere

Sluiten