Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat dan nog weer bij de laatste te onderscheiden valt, en alleen op het gebied van de „levende" dingen ligt: „de natuur van een ding".

Wij komen thans tot 's Heeren ordinantiën in de natuur.

In de veroorzaakte of zinnelijke natuur toch nemen wij zekere schikking of orde waar, een eenheid te midden van de verscheidenheid ; een overeenstemming of harmonie zoo tusschen de natuurdingen en hun veranderingen onderling, als in die dingen zelf, en de veranderingen die wij aan hen waarnemen. Een andere is de heerlijkheid der zon en een andere is de heerlijkheid der maan en een andere is de heerlijkheid der sterren, schrijft de heilige Apostel in i Corinthe 15. Maar toch is er tusschen al die hemellichamen en hun bewegingen vaste schikking en onverbreekbare orde. Op aarde komt altijd en overal, om 's Heeren Woord nog eens te herhalen, eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. Bij alle verscheidenheid tusschen de individuen is er een vaste overeenstemming tusschen die van een zelfde soort zoo in hun gedaante als hun verrichtingen. Een andere bijbelschrijver spreekt van de natuur der wilde dieren en der vogelen, der kruipende en der zeedieren, en ook van de menschelijke natuur. (Jakobus 3 : 7.) Tusschen al die „naturen" is verscheidenheid en toch ook weer overeenstemming, en tusschen de individuen van een zelfde „natuur" ziet gij in het individueele altijd het algemeene. En eindelijk, wij noemen de „gezondheid" van een levend individu, van een plant, een dier, een mensch de harmonische werking van al de „leden" van het lichaam, waarbij ieder lid „het zijne doet".

Deze vastheid, die wij waarnemen in de veroorzaakte of zinnelijke natuur, doet ons besluiten tot de vastheid in de werkende natuur. De natuurwetenschap, die de vaste wijze van werken dezer laatste uit de eerste tracht te leeren kennen, spreekt dan van „natuurwet" en „natuurwetten" en de Schrift noemt dat ordinantiën des Heeren.

In verband met ons onderwerp: 's Heeren ordinantiën in de natuur, hebben wij dit laatste begrip hier wat nader in te denken.

Het begrip natuurwet heeft in het Europeesche denken zijn eigenaardige geschiedenis. „Aanvankelijk," zoo heeft men gezegd, en wel op grond van nauwkeurig historisch onderzoek, „kende men geen andere „wet" dan die als norm of richtsnoer voor menschelijk handelen door een ander was vastgesteld. Zulke gestelde wetten waren dan óf de burgerlijke, hetzij dan als geschrevene of ongeschrevene, onder welke laatste men dan de „zeden" en de „gewoonten" verstaat, öf de Goddelijke, die den mensch als norm voor zijn handelen, hetzij door bijzondere openbaringen, hetzij in zijn eigen bewustzijn, verkondigd worden. Dit laatste begrip, namelijk een wet of norm voor het handelen, die de mensch in zijn eigen bewustzijn vindt, zoo zegt men —

Sluiten