Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den wortel af en eischt, dat de grens tusschen God en het schepsel, zelfs in uw denken, nimmer worde overschreden.

Maar zoo verstaat gij dan ook, dat, indien al het geschapene nietGod is en de natuur al dat geschapene is, het begrip natuur voor ons nog veel meer omvat dan de zinnelijk waarneembare natuurdingen en de in hen werkende krachten.

Het begrip natuur omvat dan niet alleen de zon en de maan en de sterren — de aarde met haar dampkring, en op die aarde de planten- en dierenwereld en ook uw lichaam; niet alleen de aantrekkingskracht en al de chemische en physische krachten, die in een levend lichaam werken; maar ook omvat dan dit begrip natuur: de ziel en de in haar werkende krachten. Immers ook die ziel hangt voor haar ontstaan niet aan menschelijk willen, maar wordt, zooals wij Calvinisten belijden, door God geschapen.

Wij duidden dit in de hieraan voorafgaande inleiding reeds aan, door in de werkende natuur nog weer te onderscheiden tusschen „de natuur van het ding" of die werkingen, waarvan een ding de oorzaak of het beginsel in zich zelf heeft. Want wel is de natuur van het dier of van den mensch iets anders en dus niet te verwarren met de ziel. maar toch is die ziel de oorzaak, het beginsel zoowel in het dier als in den mensch, van zekere werkingen en verschijnselen, die wij in tegenstelling met de bloot somatische of lichamelijke, als psychische — van psyche of ziel — in dier en mensch onderscheiden.

En zoo omvat dan ons tegenwoordig onderwerp: 's Heeren ordinantiën in de natuur, niet slechts de „wetten" waarnaar de krachten werken in de zinnelijk-waarneembare natuurdingen, maar ook die „wetten", welke men tegenover de „normen" aanduidt als de „natuurwetten" op het gebied van het zieleleven of der psychische verschijnselen. Zeker, denkkracht en wilskracht zijn andersoortige krachten dan zwaartekracht en groeikracht, maar ook de eerste zijn evenzeer aan vaste wetten, aan ordinantiën des Heeren bij haar werking onderworpen, als de laatste. En het zijn deze „natuurwetten" op het gebied van het zieleleven, waaraan een zelfde vastheid en noodzakelijkheid is verbonden, als aan die op het gebied van de stoffelijke dingen. Naar deze wetten moet gij gewaarworden en begeeren, denken en willen, welgevallen en mishagen ondervinden. Er zijn, om dit met een voorbeeld te verduidelijken, vaste wetten, waarnaar zich steeds onze voorstellingen met elkander verbinden.

Zulk een „natuurwet" op het gebied van het zieleleven nu is te onderscheiden van die andere „wet", waarbij niet van noodwendigheid, maar van vrijheid, niet van een moeten, maar van een „gij zult" sprake is, en waarbij ook een anders-kunnen mogelijk is. Zulk een wet duiden wij daarom liever aan met den naam van norm of richtsnoer. Naar een norm wordt beoordeeld het handelen, uit „natuurwet" verklaard het gebeuren. De normen gelden dus op het gebied van wat wij reeds vroeger hebben aangewezen als de zedelijke, beter nog

Sluiten