Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het onderzoek der natuur echter wordt voortgezet, des te meer wordt men in deze overtuiging gesterkt. Het getal der „natuurwetten vermeerdert dan ; waar men tot dusver nog slechts verwarring zag, wordt regelmaat ontdekt; het gebied van het schijnbaar onregelmatige wordt steeds tot al kleiner grenzen teruggebracht.

Door waarneming; door experiment of proefneming, waarbij de onderzoeker, uit eigen beweging, in den gewonen gang der verschijnselen ingrijpt, en de natuurkrachten dwingt, onder door hem bepaalde omstandigheden te werken; door inductie of gevolgtrekking van het bijzondere tot het algemeene; en ook door vernuftige onderstellingen, kwam en komt men al meer en meer tot de vaststelling van de „natuurwetten".

Spreken wij bij een natuurwet van wat altijd en zonder uitzondering gebeurt, te recht laat de tegenwoordig gangbare bepaling daaraan voorafgaan: onder zekere omstandigheden.

Deze laatste kunnen n.1. een wijziging teweegbrengen. Naar de natuurwet der aantrekkingskracht moet een steen met toenemende snelheid ter aarde vallen, en toch valt hij niet, als onze hand hem vasthoudt. Het is een „natuurwet", dat het water naar beneden en niet naar boven stroomt, en toch wordt in den wijnstok het voedende vocht opwaarts gedreven. De mensch kan op het werken der natuurkrachten veranderend inwerken; hij stelt de krachten der natuur in zijn dienst, dwingt, om iets te noemen, den stoom, den damp tot resultaten, ' waartoe deze, aan zich zelf overgelaten, nooit zou komen. De constante of onveranderlijke werking van de natuurkrachten, is dus aan omstandigheden gebonden.

Een natuurwet zegt alleen, dat bepaalde krachten, onder gelijke omstandigheden, op dezelfde wijze werken.

Is een natuurwet nu niets meer dan een bewering van ons menschen omtrent de vastheid in het gebeuren?

Daar zijn, en dat juist onder de niet-Calvinisten, geweest, die zoo

oordeelden. . „

Het waren zij, die meenden, dat wij al onze kennis alleen door de zintuigen verkrijgen. A.1 hebben wij toch honderden malen gezien, zoo redeneeren zij, dat b. v. water kookt als men het genoegzaam verhit, wie en wat waarborgt ons, dat het onder gelijke omstandigheden ook in de toekomst altijd zal gebeuren ? Wat geeft ons recht, hier te spreken van een „wet", waarnaar dit verschijnsel, zonder uitzondering, moet plaats grijpen ? Omdat wij het zoo gewoon zijn te zien, dikwijls te zien, moeten wij het er dan maar voor houden, zoo zegt men, dat het altijd

wel zoo zal gebeuren?

Anderen daarentegen hebben gemeend de bedoelde vraag noch te moeten ontkennen, noch te bevestigen.

Volgens hen verkrijgen wij onze kennis zeer zeker niet alleen uit

Sluiten