Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dae-en voltooid was, ging de natuur haar loop. Zeker, die natuurloop „aat naar vaste wetten, die men ook hier erkent dat door (l°d zlJn Ssteld maar men denkt zich daarbij de verhouding van God tot de natuur' als die van een kunstenaar tot de door hem vervaardigde machine. Alleen als er wat hapert komt ^

in sim eigen werk in, en dat is dan het „wonder . Ut wilt gij een ander beeld, denk dan aan de verhouding van een koning, die zijn onderdanen bevelen heeft gegeven en

ver land. Alles loopt naar zijn bevelen, zonder dat hij er verder iets aan doet; als een machine. Alleen maar, als iets minder goe gaa , komt de koning terug, grijpt in en herstelt.

Teeenover deze opvatting stelden nu de „modernen'; de hunne Ter goeder trouw meenden sommigen, dat eerst de nieuw ere natuurwetenschap de „noodzakelijkheid" der natuurwetten aan het licht had

^Hetls echter met de stukken te bewijzen, dat de Christelijke wereld reeds veel vroeger omtrent de vastheid van die wetten overtuigd was creweest. Reeds de groote denkers der middeneeuwen, met wie de Protestantsche theologie van vóór een halve eeuw ten onzent nu juist niet op vertrouwelijken voet stond, spraken van de vastheid, de onbeweeelnkheid ja zelfs van het fatum in de natuur. Tegen het gebruik va^ dit laatste woord, dat, zooals wij reeds vroeger opmerkten, oorspronkelijk niets anders beteekende dan hetgeen de<

heeft hadden zij slechts een practisch bezwaar. De groote wijsgeer en leeraar der middeneeuwsche Kerk, Thomas Aquinas zegt in een van ziin werken: „Het fatum te ontkennen is de Goddelijke voorzienigheid ontkennen. Maar omdat wij met ongeloovigen geen namen gemfen moeten hebben, opdat uit de gemeenschap der na^n ^e® leletrenheid van dwaling kan genomen worden, moet de naam fatum niet teloor de geloovigen gebruikt worden, opdat wij niet schijnen a. rj S toe te s?emmeng, dif een slecht gevoelen hebben omtrent hg fatum doordat zij alle dingen onderwerpen aan de noodwendigheid der sterren." Blijkbaar ziet dit laatste op het „fatum astrale of h „sterren-fatum", waarmee, vooral in ^ middeneeuwen de sterrenwichelarij in verband stond. Dan, zooveel « zeker, dat lang voor de eeuw die nu achter ons ligt, ook de Christelijke wereld van de voor heï schepsel onbuigzame en onwrikbare vastheid der natuurnoodwen-

dlS\lTeen° maar^en hier lag het verschil tusschen deze denkers en „de modernen", zij' zoeken den dieperen grond van deze noodwendigheid

111 De nieuwer? natuuropvatting, die ook door de "m°d®rnde

was overgenomen, staat echter, meer of mm, °"f^el \ an

van Soinoza wiens fatalistisch stelsel wij in het Inleidend Deel van dit werk hebben beschreven. In dit stelsel toch is de onderscheiding tusschen God en de natuur weg en wordt dan ook telkens van

Sluiten