Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of de natuur gesproken. Van een boven de natuur verheven God, van een Schepper is ook in dit pantheïsme geen sprake. Gelijk in de wiskunde uit het wezen van den driehoek volgt, dat de som van zijn hoeken gelijk is aan twee rechte hoeken, zoo volgt met even starre noodzakelijkheid het eene natuurgebeuren uit het andere. In dezen gedachtengang worden de natuurwetten wetten, waaraan de Godheid zelve met absolute noodzakelijkheid is onderworpen. Indien dit zoo ware, zou het „wonder" in den zin, dien wij Christenen aan dit woord hechten, zeer zeker niet kunnen bestaan, want de ijzeren natuurwet ware dan voor God zelf, met eerbied gezegd, onoverwinlijk. Waarlijk, het gaat niet aan, deze Spinozistische natuuropvatting een zooveel gezondere te noemen dan de eerste, die wij hierboven beschreven.

Tegenover beide nu staat de opvatting van de Schrift.

Volgens de Schrift zijn er evenzoo voor de onbewuste natuur als voor het bewuste leven van den mensch wetten. Maar de gever van die wetten is God de Heere, en het zijn daarom ook: ordinantiën des Heeren. Uit vele plaatsen is ons dit reeds gebleken. Ook in Jeremia 31 : 35 en 36 wordt er van gesproken. Het woord, daar met „ordeningen" overgezet, beteek ent „inzettingen".

Die ordinanties, zegt de Heere daar zelf, met betrekking tot zon en maan en sterren en zee, welke Hij gezet heeft, kan geen mensch verzetten of bewegen of doen wijken. En dit wordt gezegd tot vertroosting van 's Heeren volk. Want even vast als deze natuurinzettingen, even vast is het bestaan van het Israël Gods. Menschen kunnen daar niets aan veranderen. En zoo ligt dan juist in datgene, wat voor menschen onverzettelijk, onoverwinnelijk is, het begrip van „natuurwet".

De „natuurwet" dus vast, maar door God gegeven; niet Hij er aan onderworpen, maar als de souvereine Schepper er boven verheven.

Hierin ligt het verschil tusschen de Schriftuurlijke en de Spinozistische natuuropvatting.

Maar ook die natuurwet niet als iets wat zelfstandig tegenover God staat; iets, wat Hij eerst moet verzetten, doen wijken, waarin Hij moet ingrijpen. Want dit geldt evenmin van de natuur zelf als van hare wetten. Het is toch God, die van oogenblik tot oogenblik, heel die natuur, met al de in haar werkende krachten, in den letterlijken zin onderhoudt; haar vasthoudt met Zijn machtige hand; alle dingen draagt door het woord Zijner kracht.

En deze natuurwetten zijn dan ook geen mystische zelfstandige wezens, welke God op zekere tijden in den weg zouden staan, en die Hij dan eerst zou moeten bestrijden om ze te overwinnen; geen voorschriften die Hij zich zelf gegeven, of perken die Hij zich zelf gesteld heeft, en waarvan Hij dan afwijkt of die Hij verzet. Een natuurwet is niet anders dan de uitdrukking van den constanten wil

Sluiten