Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

punten" zijn even ver van het centrum verwijderd en tevens even

ver van de beide eindpunten van de groote as. ^

Had Coppernicus geleerd, dat de zon niet staat m het middenpunt van een planetenbaan, die hij zich als cirkel dacht, maar meer van het centrum verwijderd, iets wat men excentncttett noemt, - door de

plaats der zon in het „brandpunt" eener ellips te stellen bleek nu

vervolgens, dat Keppler haar meer juiste plaats had gevonden.

Door deze wet wordt nu ook duidelijk, hoe het komt. dat dezon in het eene gedeelte van het jaar schijnbaar kleiner is dan in het andere. Denkt men zich de zon staande in het link er-brandpunt van de e^P®> dan zal onze aarde het dichtst bij de zon staan als zij OP haar baan aan het linker-eindpunt van de groote as staat; men noemt dit punt het perihelium, van „helios", zon. Voortschrijdend op haar baan, komt zii straks aan het eindpunt van de kleine as, en eindelijk aan het richter-eindpunt van de groote as, welk eindpunt men dan^het noemt. Men spreekt ook hier van excentriciteit of afwijking van het middenpunt. Zoo staat zij den 2den Januari het dichtst bij de zon en de sterrenkundigen zeggen dan: de aarde staat in e ptrne uw in de nabijheid der zon, terwijl het ^fenovcrgestelde punt va de aardbaan, waarin wij ons op 2 of 3 Juh bevinden, met aj>hehum of zonsverwijdering wordt aangeduid. Werkelijk zien wij des zon, do middel echter alleen van zeer nauwkeurige instrumenten, in het begin van Juli ook kleiner dan in het begin van Januari. Van de zon gezien, zou hetzelfde van onze aarde gelden.

De tweede wet van Keppler luidt: „De voerstralen beschrijven, in

ireliike tijden, gelijke vlakteruimten.

Zii hangt saam met de eerste, dat de planeet een elliptische baan om de zon doorloopt en dat de zon zich in het eene brandpunt dezer

ellips bevindt. . „ . , . r\ •*. u

Onder de voerstraal — in het Latijn „radius vector , m het Duitsch „Leitstrahl" — van een ellips, verstaat men de rechte lijn, die uit het

„brandpunt" naar den omtrek voert.

De afstanden, die een planeet op haar baan rondom de zon beschrijft, liggen altijd tusschen twee zulke voerstralen die men zich

dan denken moet uit het midden der zon — hier het brandpunt der ellips — naar den omtrek -— hier de baan zelf getrokken. wee zulke voerstralen nu zullen als opstaande zijden, met een deel der baan als basis, een driehoek, juister een „perk" vormen en deze driehoeken of perken zullen dan na een zelfde tijdsverloop steeds gelijken inhoud hebben. Achterstaande figuur moge dit verduidelijken.

De ellins stelt hier een planetenbaan voor, waarin S, het „brandpunt", de' plaats der zon aanwijst. P A is de weg dien de planeet op haar baan beschrijft als zij het dichtst, C W de weg als zij het verst van de zon is. De driehoek P S A is van gelijken inhoud als de driehoek C S W. In denzelfden tijd waann de planeet zich voortbeweegt van P naar A, gaat zij ook van C naar W. Wijl nu echter

Sluiten