Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het al rijker kennen van onzen God, door het al beter kennen van Zijn schepping; niet maar alleen om het menschelijk leven te verbeteren, te vergemakkelijken, te verrijken, maar ook en allereerst zelfs, om uw God te verheerlijken, moet ook deze wetenschap beoefend.

Het voornaamste van wat de sterrenkunde ons, op het stuk van 's Heeren ordinantiën, ook in die wereld van schijnbaar dwalende sterren leert, bedoelen dit en de twee vorige hoofdstukken dan ook aan te wijzen.

Na de bespreking der binnen-planeten, rest ons thans nog, van de buiten-planeten te handelen. In onderscheiding van de eerste, Mercurius en Venus, verstaan wij, gelijk vroeger reeds is gemeld, onder de laatste die planeten, welker banen buiteti de aardbaan vallen.

Tot deze buiten-planeten behooren: Mars, de Planetoïden, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus.

Ook deze namen zijn weer ontleend aan de Romeinsche godenleer.

Bewegen ook deze planeten zich in min of meer elliptische banen rondom de zon, er doen zich bij haar, van onze aarde gezien, verschijnselen voor, waarin zij van die der binnen-planeten verschillen, en die wij dus, alvorens van ieder harer in het bijzonder iets mede te deelen, eerst zullen bespreken. Daarbij zal het ons tevens duidelijk worden, hoe het schijnbaar stilstaan en terugkeeren, waaraan ook deze hemellichamen hun naam van „planeten" danken, moet verklaard.

In onderscheiding nu van de binnen-planeten spreekt men bij de beweging der buiten-planeten alleen van bovenste conjunctie of samenstand, van oppositie of tegenstand, en van quadratuur of kwartierstand.

Ook dit zijn op zich zelf weer zeer eenvoudige zaken, die men in alle eenigszins uitvoerige almanakken kan vermeld vinden. Zoo kan men b. v. lezen, dat de planeet Mars op een bepaalden datum in samenstand komt, en dan onzichtbaar is. Of wel, dat de planeet Jupiter in tegenstand is, en dan den geheelen nacht zichtbaar is. Of ook, wanneer Saturnus in quadratuur met de zon komt.

Nog zij hier opgemerkt, dat van de eigenaardige bewegingsverschijnselen, zooals benedenste samenstand, doorgang voor de zonneschijf, het nu eens morgen-, dan avondster zijn, en grootste elongatie — verschijnselen, die wij in het vorige hoofdstuk bij Mercurius en Venus bespraken — geen sprake kan zijn bij de buiten-planeten, en wel omdat de banen van deze niet door de aardbaan worden omsloten.

Ter verduidelijking van de drie bovengenoemde uitdrukkingen: bovenste conjunctie, oppositie en quadratuur, moge nevensstaande figuur ons behulpzaam zijn. Z stelt hier de plaats voor, waar de zon staat;

Sluiten