Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIL

DE KOMETEN.

Wilde baren der zee, hunne eigene schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.

Judas : 13.

Met de bespreking van 's Heeren ordinantiën voor zon en maan en voor onze aarde als hemellichaam, in een volgend hoofdstuk, zal de behandeling van wat de sterrenhemel ons omtrent die ordinantiën leert, ten einde zijn gebracht.

Ons doel is — het zij ons vergund dit nog eens te herhalen — volstrekt niet, een populaire natuurkunde of een soort encyclopaedie op den grondslag der Gereformeerde beginselen te geven, maareenig en alleen, de ons in Schrift en Natuur geopenbaarde, door God den Heere gestelde wereldorde te doen kennen, eerst de natuurlijke, straks de geestelijk-zedelijke. En dit doel, dat ons van meet af voor oogen stond, is niet anders dan de rijke gedachte, die in het psalmwoord ligt: «In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar Uw gebod is zeer wijd" (Ps. 119 : 96); het psalmwoord, dat wij boven het eerste hoofdstuk van dit werk schreven.

Eerst door 's Heeren ordinantiën, gelijk ons Zijn Woord in de Natuur en de Schriftuur die openbaren, nauwkeurig waar te nemen en te overdenken, wordt u de wereld van gedachten, de diepte van dat „Uw gebod is zeer wijd" ontsluierd.

's Heeren ordinantie, Zijn schikking, van vóór der eeuwen eeuwigheid in Zijn Raad gegrond.

Ook die ordinantiën in de Natuur.

Dat in te denken, doet u verstaan, dat de groote en machtige gedachte, die in de Schrift ligt en die, vaster nog dan anderen, eerst Augustinus en toen Calvijn grepen: de gedachte aan het feit van 's Heeren voorbeschikking of prae-destinatie, waarlijk niet maar alleen en uitsluitend van toepassing is op een menschenziel, maar op heel Gods rijke schepping, op heel Zijn wereld.

Niet slechts, om het nu eens in de taal der Theologie te zeggen, soteriologisch, maar ook kosmologisch, heeft deze gedachte haar zin. Dat wil zeggen, zij, of liever het feit waarop zij zich richt, heeft beteekenis niet maar voor de zaliging of de daartegenover staande verdoemenis — het ontzettende woord, dat een Christen nooit gedachteloos, maar altijd met diepe ontroering der ziel moest uitspreken of neerschrijven — van de zielen der menschen, doch ook voor het bestaan en den gang der wereld. Voor het geestelijke niet alleen, maar ook voor het natuurlijke, en in dit laatste ook voor die boven-, of juister, buiten-aardsche sfeer, die wij de sterrenwereld noemen.

*

Sluiten