Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De orde, de schikking daar, vindt haar oorzaak in Gods voorbeschikking en eeuwige, ook daar tegenwoordige kracht.

In orde zit vastheid.

Wil, redelijke wil, karakter tegenover het onvaste, en, als de bruisende, wilde baren der zee, woeste en onvaste van de passie.

En die vastheid in de sterrenwereld, zij verbindt vanzelf uw gedachte aan nog een andere vastheid, aan die van het in zijn oorsprong zonder de Schrift niet te verklaren, meest wondere aller beseffen uwer ziel, dat van den plicht, van wat altijd zijn moet, van wat het willen en handelen altijd wezen moet, ook al is het, zooals de Christen voor zijn God dagelijks belijdt, vaak zoo anders, en zelfs nooit volstrekt

wat het zijn moet. .

Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat: Heere, wie zal

bestaan?

Bij die sterren is geen bewust-zijn, geen willen, en toch vastheid; vastheid, waarmee zij, door de wet der aantrekkingskracht beheerscht, óf hare plaats bewaren tegenover elkander öf als de planeten zich in vaste banen bewegen rondom haar zon.

Bij ons is willen, en daarom zijn wij, wat plant noch dier is, zedelijke schepselen, beheerscht voor dat willen door een wet, de zedenwet met haar: gij zult!

Om die tweeërlei vastheid te zien, behoeft men nog geen Christen te wezen in den dieperen zin van het woord, zoo, dat men de \ oldoening zijner zondenschuld voor God zoekt in het bloed van den

Immanuël. , , ,

De wijsgeer Kant, wiens Christelijke ouders, wat onbedacht, dien voor een mensch te heiligen naam Immanuel eens aan hun kind hadden gegeven, was in dien dieperen zin geen Christen. _ n

Toch leest men in het Besluit van zijn „Kritiek der practische Rede de'schoone woorden: „Twee dingen vervullen het gemoed met steeds nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe meer en aanhoudender zich het nadenken daarmee bezighoudt: de gestemde hemel boven mij en de zedelijke wet in mij."

Met die bewondering en eerbied wordt nog steeds, ook in onze dagen, het gemoed vervuld van allen, die gelooven dat nog iets hoogers het heelal beweegt, en in dat heelal ook het menschelijk leven, dan druk en stoot van blind werkende krachten. Gelooft men toch het laatste, want ook dat is 'n gelooven, dan houdt alle bewondering op en heeft men eerbied meer voor niets, wijl men, in den waan van nu alles te hebben verklaard, zich over niets meer verwondert en al wat den mensch met ontzag pleegt te vervullen, zoo „dood-een\ oudig en „ gewoon-natuurlijk" vindt.

Sluiten