Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de door Donati ontdekte kometen gezien, dat haar kern in grootte verminderde. Voortdurend maakten zich hulsels van de kern los, welker bestanddeelen zich in het nevelomhulsel van den hemel verloren.

Het nevelomhulsel van een komeet is veel grooter dan haar kern. Bij een komeet, die met een licht-sleep of staart wordt waargenomen, spreekt men van kern en nevelomhulsel saam als van den kop. Dikwijls worden dan uitstroomingen van de bestanddeelen van den kop naar den staart of de pluim waargenomen. Zoo verscheen b.v. de komeet Coggia den 5den Mei 1874 eerst, evenals de komeet Perrine in 1902, zonder staart. Zij was aanvankelijk gelijk Perrine een nevelvlek. Toen zag men in Juni binnen het omhulsel verdichting, daarna sterkere lichtontwikkeling en begin van uitstrooming der bestanddeelen, eindelijk in Juli den breed uitloopenden, in tweeën verdeelden staart. De traditioneele vorm van een komeet of staartster, een schitterende ster met een breed uiteenloopende lichtpluim, is toch volstrekt niet die, waarmede deze hemellichamen zich altijd vertoonen. Men ziet ze zonder en met, met één en met twee of meerdere „staarten". In den regel strekken zich de staarten of pluimen in tegenovergestelde richting van de zon uit, doch ook vertoonen zich uitzonderingen.

Omtrent het aantal der in ons zonnestelsel aanwezige kometen bestaat nog geen zekerheid. Volgens sommige sterrenkundigen zou het ongeveer 6000 bedragen. Eerst sedert de laatste tientallen jaren heeft het astronomisch onderzoek zich meer op de kometen gericht en is er dan ook geen jaar voorbijgegaan, zonder dat een komeet werd waargenomen. De verschijning van een komeet heeft daarmee het karakter van het buitengewone verloren, al ontsnappen ook de meesten aan de aandacht van ons leeken, omdat zij slechts door middel van zeer sterke telescopen zichtbaar zijn.

Eerbied en bewondering voor God, Wiens wil in de natuurwetten heerscht, en daarbij ook voor den menschelijken geest, die in de diepten van Gods Heelal vermocht door te dringen, vervullen ons, wanneer wij vernemen, dat van vele kometen in ons zonnestelsel de vaste omloopstijd reeds berekend is. Zoo berekende, om iets te noemen, Halley in 1682 den loop eener komeet, van welke hij voorspelde, dat zij in 1758 wederom moest verschijnen, en wel werd die verschijning vertraagd, doordat deze komeet, op haar baan in de nabijheid van Jupiter en Saturnus gekomen, door de aantrekking dier planeten werd „gestoord", doch zij verscheen toch in Maart van 1795 en moet weer verschijnen in 1910. Maar ook de zekerheid, waarmee in 1902 de loop van dag tot dag der komeet Perrine op haar baan tusschen de verschillende sterrenbeelden werd voorzegd, geeft zulk een indruk van bewondering.

En de menschelijke geest kwam door waarnemen en denken ook tot een aanvankelijke wetenschap omtrent de stof der kometen. Men weet b. v., om slechts dit te noemen, dat die stof niet in gasvorm bestaat, maar in kleine, over zeer groote ruimte verdeelde lichaampjes, die vooral in den staart op verderen afstand van elkaar zijn verwijderd.

Sluiten