Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

damp en dat het ontstaan van den laatste weer aan vaste voorwaarden verbonden is, wij zullen thans die verschijnselen wat meer in het bijzonder bezien. Bepalen wij ons eerst tot den dauw, het eigenaardige vocht, dat, inzonderheid des zomers, in de morgen- en avondschemering onmerkbaar neerslaat en dat wij dan als dauwdruppels aan grashalmen en bloemkelken waarnemen. Is de dauw bevroren, dan spreekt men van rijp.

De dauw ontstaat, doordat de bodem, de grashalm, de bloem zich, na zonsondergang, door uitstraling van warmte afkoelt tot onder het „dauwpunt" der onmiddellijk daarboven liggende luchtlagen; daardoor consendeeren óf verdichten zij den damp dezer luchtlagen, die nu op deze voorwerpen als water, dat tot druppels saamvloeit, neerslaat. Hierbij zij opgemerkt, dat men onder „dauwpunt" een bepaalden thermometerstand of temperatuur verstaat, waartoe men de lucht moet afkoelen om een neerslag van waterdamp te krijgen. Dat laat zich o. a. verduidelijken met het bekende verschijnsel van het „beslaan van brillenglazen". In zulk een geval toch is de temperatuur van het glas lager of gelijk aan het dauwpunt van b. v. de kamer of de zaal waarin men zich bevindt.

Hoe meer warmte een lichaam uitstraalt, des te meer dauw zet er zich op af. Daarom zal dan ook de kiezelweg buiten en het plaveisel in de stad droog blijven, terwijl daarentegen niet slechts het grasveld, maar ook het hout van deuren, vensters en schuttingen sterk met dauw bevochtigd wordt. Metalen worden schier nooit bedauwd, omdat hun warm te-uitstraling uiterst gering is. In het algemeen kan men zeggen, dat alle omstandigheden, die de warmtestraling en de verdamping verminderen, ook de bedauwing verminderen. Heldere lucht en vochtige, de warmte gemakkelijk uitstralende bodem, b. v. het weiland, zijn gunstig voor den dauw. Daarom valt er dan ook weinig dauw bij bedekte lucht, of op den grond onder het loover van het geboomte.

Behalve uit de lucht komt een deel van den dauw ook uit het water, dat van de aarde verdampt, en een ander deel bij de planten uit het water, dat zij zelve uitdampen.

De symboliek van de Schrift, die het natuurlijke tot een beeld van het geestelijke gebruikt, geeft ook een plaats aan den dauw.

De dauw is in het natuurleven van Israël een zegen. Als Izak zijn zoon Jakob zegent, heet het onder meer: „Zoo geve u dan God van den dauw des hemels." (Gen. 27 : 28.) Maar ook is de dauw beeld van andere zaken. In Hosea 6 : 4 wordt de vroomheid van Efraïm en Juda, in 13:3 Efraïm zelf, vergeleken met een morgenwolk en een dauw, die in de vroegte verdwijnt: beelden van snel voorbijgaan. Doch in het bekende woord, Hosea 14 : 6: „Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie," is de dauw, met zijn verkwikkenden invloed op de plant, beeld van wat Jehova voor Israël belooft te wezen.

Sluiten