Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer de verdichting van den waterdamp boven in de lucht snel toegaat, dan gaan de nevellichaampjes der wolken bij een temperatuur boven het vriespunt in regen, bij eene beneden het vriespunt in ijsnaalden over, en vallen als sneeuw snel op den aardbodem. Komen zij in met waterdamp verzadigde lagere luchtlagen, dan verdichten zij door haar lagere temperatuur een deel van dien waterdamp en nemen dus toe in grootte. Bovendien vereenigen zich ook meerdere druppels en naalden tot grootere.

In de bergen laat zich nu en dan het dus ontstaan van den regen waarnemen. Boven in de hoogte ziet men de nevels; meer beneden een fijne stofregen, die alle uitzicht verhindert, en nog verder in de diepte een zwaren regen in dikke druppels.

De hoeveelheid regen en evenzeer het getal der dagen, waarop het in een jaar regent, heeft men trachten te berekenen, en daarbij b. v. voor Nederland gevonden 64 c.M. per jaar en 150 dagen.

In dit alles bevestigt zich het Schriftwoord: „Als Hij den regen eene gezette orde maakte." (Job 28 : 26.)

Gelijk reeds werd opgemerkt, ontstaat de sneeuw, wanneer de snelle verdichting van den waterdamp boven in de lucht, bij een temperatuur beneden het vriespunt, dus o# Celsius, plaats heeft. De straks genoemde ijsnaalden of nevelkristallen schieten dan aan elkander. Daardoor ontstaan dan de z.g. sneeuwsterren met haar verschillende vormen, waarvan een zes-zijdige, zeldzamer een drie-zijdige ster de grondvorm is. De dus gevormde sneeuw vertoont dan regelmatige, door platte vlakken begrensde figuren, die men kristallen noemt. Bij strenge koude op een koud lapje laken opgevangen en onder een vergrootglas gebracht, vertoonen deze sneeuwkristallen zeer schoone vormen. Gewoonlijk echter zijn deze kristallen, vóór zij op aarde vallen, reeds in de warmere luchtlagen gedeeltelijk gesmolten, kleven aan elkaar en doen die vormlooze „vlokken" ontstaan, welke wij bij zachter weer waarnemen.

Na de dampkringsverschijnselen, die men als „neerslag" aanduidt, hebben wij thans over de electrische te spreken.

Het woord electriciteit komt, zooals in het begin van dit hoofdstuk reeds is gezegd, van elektron, het Grieksche woord voor barnsteen, de bekende harsachtige zelfstandigheid, die thans voor het vervaardigen van sieraden en sigarenpijpjes wordt gebruikt. Ook de Grieken toch hadden waargenomen, dat, wanneer men een stuk barnsteen wrijft, het lichte voorwerpen zal aantrekken of afstooten. Op grond hiervan noemen wij iedere stof, die na wrijving deze eigenschappen vertoont, electrisch. Bij sommige dier stoffen hoort men reeds onder het wrijven een zwak geknetter, en in het duister ziet men, als men het pas gewreven voorwerp met den vinger nadert, kleine schitterende vonkjes.

Men heeft hier te doen met een natuurkracht, of liever -werking, waarvan men het wezen nog niet kent, maar die zich onder de straks genoemde vormen, waaronder aantrekking en afstooting de voornaamste zijn, openbaart.

Sluiten