Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenkomst bestaat met het weerlicht, of den weerschijn van den bliksem van meer verwijderde onweders. Zeer zeldzaam is de kogelbliksem, die zich in den vorm van een langzaam voortbewegenden kogel vertoont.

Sedert een kleine twintig jaren is het gelukt, bliksemstralen te photographeeren, waardoor het bleek, dat de zigzagstralen doorgaans op velerlei wijzen zijn vertakt.

Ten slotte zij hier nog vermeld het z.g. St.-Elmusvuur, dat zich als vlammenbundels vertoont, wanneer op een deel der aardoppervlakte, dat zich onder een onweerswolk bevindt, de spanning der electriciteit een zeer hoogen graad bereikt. Men neemt het dan waar aan masten van schepen of torens van kerken.

Ontstaat de donder, doordat de lucht, plotseling uitgebreid, zich met groote hevigheid weer samentrekt, wij hooren hem na het zien van den bliksem. Toch vallen zij samen. Dit verschijnsel is hieruit te verklaren, dat, gelijk wij reeds in een vroeger hoofdstuk opmerkten, het geluid of de luchttrilling een veel geringere snelheid bij zijn voortplanting heeft dan het licht of de aethergolving.

Dat wij den donder, die knal is, als een „rollen" waarnemen, heeft hierin zijn grond, dat de afzonderlijke deelen van de baan, die de bliksem doorloopt, op verschillende afstanden van ons oor liggen. Men heeft opgemerkt, dat wij den donder op een niet veel grooteren afstand dan 25 K.M. kunnen hooren.

Ook bij de tegenwoordige kennis omtrent deze natuurverschijnselen blijven donder en bliksem in hun diepste wezen nog onverklaard. Zeker, wij weten er meer van dan b. v. omtrent het ontstaan van den hagel, waarvan tot dusver nog een algemeen geldende verklaring ontbreekt. Maar of men nu al zegt, donder en bliksem zijn niets dan electriciteit, daarmee is men er, bij de nog zeer betrekkelijke kennis van wat deze laatste is, nog volstrekt niet. Het is dan ook niet alleen religieus, maar ook volkomen redelijk, om van deze „tweede oorzaken" ook hier met ons denken op te klimmen tot de eerste Oorzaak, en met Job te zeggen: God maakt „eenen weg voor het weerlicht der donderen" (Job 28 : 26). De Israëliet die in den donder „de stem des Heeren" hoorde; de psalmist, die er van zingt, hoe „de Heere donderde in den hemel en de Allerhoogste Zijne stem gaf, hagel en vurige kolen" (Ps. 18 : 14), zij getuigen van die krachtige gewaarwording hunner ziel van de Godheid, die ieder mensch, in wien het zaad der religie niet is verstikt, nog ondervindt bij deze machtige natuurverschijnselen. Hier toch vertoont zich het verhevene, en wel in zijn allen menschelijken weerstand te boven gaande geweldigheid. Hier worden wij gewaar den hoogen en verhevenen God, die in de eeuwigheid woont en wiens Naam heilig is.

Ten slotte dient bij de behandeling van 's Heeren ordinantiën voor de atmosfeer gesproken over den regenboog, als het merkwaardigste van de z.g. optische luchtverschijnselen.

Naar bekend is, zien wij den regenboog, wanneer bij gelijktijdige

Sluiten