Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonneschijn en regen ons oog in de verbindingslijn van het middenpunt der zon en dat van den boog ligt. Staat daarbij de zon aan den horizont, dan zien wij hem als een zuiveren halven cirkel; staat de zon hooger, dan zien wij den boog kleiner. Het verschijnsel van den regenboog heeft zijn grond in de breking en terugkaatsing van de zonnestralen in de kogelvormige regendruppels. Hierbij vertoonen zich al de kleuren van het spectrum. Onder dit laatste verstaat men het kleurenbeeld, dat men verkrijgt, wanneer het zonlicht door een prisma valt. Wij zien dan dit licht, dat uit stralen van verschillende breekbaarheid is samengesteld, die daardoor een verschillenden indruk op ons oog teweegbrengen, als kleuren. De stralen, die het minst gebroken worden, brengen in het oog den indruk van rood, zij die de sterkste breking ondergaan, die van violet; daartusschen liggen dan oranje, geel, groen, licht- en donkerblauw.

Uit de Schrift weten wij, zooals reeds in het begin van dit hoofdstuk is aangehaald, dat God na den zondvloed den regenboog heeft gesteld tot een teeken van het Noachietisch verbond. Het gevoelen van sommige Theologen, dat de regenboog vóór dien tijd niet bestond, noemde Calvijn in zijn verklaring op Genesis 9 : 13 „nietig". Zeker is, op grond van Gods Woord, dat de „boog in de wolken", toen tot „teeken" gesteld, telkens wanneer hij zich vertoont ook ons en onze kinderen moet doen gedenken aan Gods verbond met de uit het gericht van den zondvloed geredde menschheid.

Zoo heeft God het ons geordineerd.

XII.

DE WERELD DER MINERALEN.

Gewisselijk is er voor het zilver een uitgang, en eene plaats voor het goud, dat zij smelten.

Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.

Job 28 : 1, 2.

Onze beschrijving van 's Heeren ordinantiën in de natuur ging allereerst over die voor de buiten-aardsche sfeer of de sterrenwereld.

Daarna hebben wij in de laatste drie hoofdstukken getracht een en ander te doen kennen omtrent die voor den dampkring. Achtereenvolgens is daarbij gewezen op de vastheid in de verschijnselen van de temperatuur; op die van wind en stroomen; op de van God gestelde wetten voor al die luchtverschijnselen welke wij kennen als dauw en rijp, sneeuw en regen, donder en bliksem, en eindelijk op den regenboog, die ons met zijn pracht van kleuren bekoort en bovendien aan Gods verbond doet gedenken.

Sluiten