Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geur. De natuurlijke krachten der dingen, zoo gaat hij voort, wijzen genoegzaam aan, waartoe en in hoever die gebruikt mogen worden. Zal de Heere, zoo vraagt hij dan, in de bloemen een zoodanige schoonheid gelegd hebben, die vanzelf ons in het oog valt; eene zoo groote liefelijkheid van geur, die onzen reuk streelt; en zal het niet geoorloofd zijn, dat de oogen door haar schoonheid, de reuk door haar aangenamen geur aangedaan worden ? Wat ? Heeft Hij de kleuren niet zoo onderscheiden, om de eene nog aangenamer te maken dan de andere? (.Institutie, Boek III, Hoofdstuk X, 2.)

Gij ziet, genieten in de natuur is zuiver Calvinistisch, goed Gereformeerd. Maar niet alleen genieten in planten en bloemen, maar ook er zich inleven, ze trachten te leeren kennen, juist omdat ze zijn het werk van uw God, moet de Christen. Als ons in 1 Koningen 4 : 29—34 de wijsheid van Salomo wordt beschreven, dan heet het o. m. van dien wijze in Israël: „Hij sprak ook van de boomen: van den cederboom af, die op den Libanon is, tot op de hysop, die aan den wand uitwast." (vs. 33.)

Hieruit blijkt, dat Salomo niet alleen wijs was in geestelijke, religieuze en zedelijke zaken en daarvan leerde en sprak in zijn spreuken en liederen, maar dat hij ook wijs was in de dingen der natuur, ook kennis had van planten en dieren.

Ook van dieren.

Want op de hierboven aangehaalde woorden volgt dan in het tweede gedeelte van vs. 33: „Hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de visschen."

En nu heeft Flavius Josephus, geboren in het jaar 37 na Christus, wel gezegd, dat Salomo alleen gelijkenissen aan de planten- en dierenwereld ontleende, zoodat wij hier dan niet aan een bepaalde studie van planten en dieren, m. a. w. aan Salomo's natuuronderzoek, zouden moeten denken; doch al wordt deze meening van Josephus ook door sommigen gevolgd, door het meerendeel der Schriftuitleggers wordt zij niet gedeeld.

Zeker, aan het doen van reeën en vogels en mieren ontleent Salomo wijze lessen voor den mensch (Spreuken 6 : 6—8); en elders vinden wij in de Spreuken de „wijsheid" van mieren en konijnen, sprinkhanen en spinnekoppen geprezen (Spr. 30 : 24). Maar niets verhindert, als men Josephus, die hier volstrekt geen autoriteit is, er nu eens buiten laat, in 1 Koningen 4 : 33 te lezen, dat Salomo zich ook met natuuro7iderzoek heeft beziggehouden, evenals vs. 32 leert, dat hij zich aan didactische en lyrische poëzie wijdde. Dat hij, zooals men veelal meent, de vruchten van dit natuuronderzoek ook in geschriften zou hebben neergelegd en dat deze geschriften dan later zouden verloren zijn geraakt, zegt de Bijbel ons hier in vs. 33 allerminst. Er wordt toch niet anders gezegd, dan dat hij sprak van de organische natuur, van planten en dieren, van deze natuur-objecten dus kennis had; een zeer uitgebreide kennis zelfs, die, om ons nu bij de planten alleen te be-

Sluiten