Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schikken, in te deelen, te verdeelen. Over het wezen van de indeeling in het algemeen en die van de planten in het bijzonder, en ook over de moeilijkheid van het „soort-begrip" in de plantkunde, is reeds in het Inleidend Deel gesproken. Wij hebben toen ook'gewezen op het verschil tusschen een natuurlijke en een kunstmatige indeeling. Onder de eerste verstaat men dan zulk eene, waarbij het beginsel der indeeling aan de natuur zelve ontleend is en dus de overeenkomst en het verschil, dat in het wezen zelf der planten gegrond * is, doet uitkomen. Onder de tweede, de kunstmatige, verstaat men daarentegen zulk eene, waarbij het beginsel der indeeling ontleend is aan een door ons menschen min of meer willekeurig gekozen uitwendig kenmerk. Het verschil tusschen deze tweeërlei indeeling laat zich nog altijd het best verduidelijken met het voorbeeld van een menigte boeken, die men öf naar de onderwerpen die er in behandeld worden, óf naar het formaat, den uitwendigen vorm, kan rangschikken. In het eerste geval heeft men een natuurlijke, in het tweede een kunstmatige indeeling.

Om die boeken echter op de eerste wijze te rangschikken, moet men hun inhoud weten, ze door en door kennen.

En hierin ligt nu juist bij de natuurproducten, en dus ook bij de planten, de groote moeilijkheid van een natuurlijke indeeling. God alleen, die ze geschapen heeft, kent de planten door en door, kent ze in haar wezen, zooals Hij ze van eeuwigheid heeft gedacht, in Zijn Raad besloten. De mensch tracht door waarneming van, en nadenken over de planten, die zich aan hem vertoonen, dat wezen te leeren kennen; doch volkomen kennis, ook van dit deel onzer wereld, is wel een ideaal waarnaar de wetenschap der Botanie streeft, maar dat zij nog op verre na niet heeft bereikt.

Daarom behelpt de plantkunde zich dan ook met een z.g. kunstmatige indeeling.

Bij deze onderscheidt men dan allereerst tusschen Phanerogamen en Kryptogamen of zichtbaar bloeiende en bedekt bloeiende planten. Deze indeeling berust op het verschil, dat wij zien tusschen planten die bloemen dragen, en dezulke welke geen bloemen dragen, tot welke laatste dan varens, mossen, wieren en schimmels behooren.

Deze indeeling vindt men reeds bij den grooten plantkundige Linnaeus, gestorven te Upsala in 1778, en zij is sedert gevolgd.

Linnaeus verdeelde verder de Phanerogamen, naar de verhouding der meeldraden en der stampers, in 23 klassen. Tegenwoordig volgt men een meer natuurlijke indeeling, eenigszins gewijzigd naar die van De Candolle, gestorven 1841 te Genève, en van Endlicher, gestorven te Weenen in 1849.

Met behoud van de hoofdindeeling in zichtbaar en bedekt bloeiende planten, onderscheidt men dan bij het gewijzigd stelsel van Endlicher aldus.

Bij de Phanerogamen of zichtbaar bloeiende planten onderscheidt men twee hoofdgroepen. Het beginsel van indeeling is daarbij: of

Sluiten