Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boomen, behooren ook de ceder, de cypres en de ten onzent zeer bekende thuja tot deze groep. Men noemt ze ook wel „naaldboomen" of coniferen, letterlijk „kegeldragers", omdat althans de meeste vruchten, evenal onze sparren en dennenappels, een kegelvormige gedaante hebben.

De groote meerderheid onder de zichtbaar bloeiende planten wordt gevormd door de Bedektzadigen. Het gemeenschappelijk kenmerk van al deze planten is, dat hun „vruchtbeginsel" bestaat uit een of meer vruchtbladeren, die een of meer „holten" of kotylen vormen, waarin de zaden zijn opgesloten.

Verdeelt men ze, gelijk wij boven zagen, in twee of meer zaadlobbigen, of met de vreemde woorden, in di-kotylen en mono-kotylen, in onze streken vormen de eerste, in de tropen daarentegen de laatste de meerderheid.

Bepalen wij ons nu eerst tot de Twee-zaadlobbigen of Di-kotyledonen. Men verdeelt ze gewoonlijk in drie onderklassen of familiën, en daarbij speelt dan de bloem en meer bepaald de „bloemkroon" een rol.

Tot de planten, wier bloemen losse of vrije „kroonbladeren" vertoonen, behooren de „kruisbloemigen", zooals onze pinksterbloemen, de muurbloem en de verschillende koolplanten: boeren-, spruit-, savoye- en bloemkool; verder de „papavers", waartoe men behalve de maankop of slaapbol waaruit het „opium" wordt verkregen, ook de klaprozen rekent, met haar vuurroode kleur schoon om te zien, maar een waar onkruid in het bouwland; dan de „waterleliën", welker wortelen in den grond zijn gehecht en welker bloemen zich op de oppervlakte van onze beken en stroomen wiegelen; de „ranunkels", waartoe o. m. de gele boterbloem en de witte of rose bosch-anemonen, de monnikskap en donkerroode pioenrozen behooren; de „violen" met haar verschillende soorten, waarvan er ten onzent tien in het wild gevonden worden. Een, in een volgend hoofdstuk en in een ander verband nader te bespreken plantengroep vormen de zonnedauwachtigen, daarom merkwaardig, wijl zij zich met insecten voeden. Verder onderscheidt men hier de „muurbloemen", waartoe ook de tot veevoeder gebruikte spurrie behoort; de „anjelieren", die onze tuinen sieren; de „vlasbloem", welker bastvezels ons het linnen, welker zaden ons de lijnolie en de voor veevoeder gebruikte lijnkoeken leveren. Tot de dikotyledonen met losse of vrije kroonbladeren behooren ook onze lindeboomen en eschdoorns, onze wilde kastanjes met hun witte en roode bloemen; verder de druiven, waaronder de wijnstok, welks vaderland Klein-Azië is, en die thans in Frankrijk en aan den Rijn ons den wijn levert, en de wilde wingerd, die, uit zijn vaderland, Noord-Amerika, ook bij ons ingevoerd, onze muren en tuinhuisjes tot in den herfst siert met zijn dan bruinrood blad. Onder de „vlindervormigen" vindt men heesters of dunne boomen, zooals de goudenregen; kruiden, zooals de klaver, en boomen, zooals de uit Noord-Amerika ten onzent

Sluiten