Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegen helften te bestaan, waartusschen men dan een klein lichaampje ontdekt. Dat lichaampje is de kiem met haar buiten de kern zichtbaar worteltje en tusschen de beide kernhelften gelegen stengeltje, waaraan een paar nog zeer dunne blaadjes. De beide met deze kiem verbonden kernhelften nu noemt men de zaadlobben of „kiembladen". Al naar de bedektzadige twee zulke zaadlobben dan wel één hebben, spreekt men dan van Di- of Mono-kotyledonen.

Berust de indeeling der twee-zaadlobbigen in drie onderklassen, gelijk wij boven zagen, op het verschil dat onder hen voorkomt met betrekking tot de „bloemkroon", wat met een bloemkroon bedoeld wordt, zal duidelijk worden, indien men zich een bloem voorstelt. De top van den bloemsteel heet de „bloembodem", en deze draagt de overige bloemdeelen. Tot die overige bloemdeelen behooren nu, behalve meeldraden en stampers, twee kransen van blaadjes. De buitenste dezer kransen, de „kelk", is meestal groen, de binnenste daarentegen meestal gekleurd. Deze binnenste nu heet de bloemkroon. Deze kroon ontwikkelt zich pas in haar grootte en kleuren, wanneer de bloem bloeit.

Bij de eerste onderklasse der twee-zaadlobbigen nu zijn, gelijk wij boven gezien hebben, de blaadjes van de bloemkroon los en vrij van elkander; bij de tweede zijn zij tot een geheel vergroeid, bij de derde eindelijk ontbreekt een bloemkroon.

Zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk, dat handelt over de indeeling die wij, menschen, van de plantenwereld maken, ons den weg gebaand tot de bespreking van 's Heeren ordinantiën voor den vorm, den inwendigen bouw en de levensverrichtingen van de plant.

XIV.

MORPHOLOGIE EN METAMORPHOSE.

De bloemen worden gezien in het land.

De vijgeboom brengt zijne jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hunne jonge druifjes.

Hooglied 2 : Jaa en 130.

Ook in de lente, nog meer dan in den zomer, vermag ons de plantenwereld met haar jong en vernieuwd leven te openbaren de eeuwige kracht en Goddelijkheid van haren Schepper.

Onzienlijke dingen kunnen dan vooral uit haar worden verstaan en doorzien.

Verstaan en doorzien uit dat frisch-lichte groen van blad en twijg; uit die kleurige en geurige bloesems; uit dien rijkdom van vormen, waarin de geschapen stof, bij haar kringloop tusschen verbinding en ontbinding, geboren worden en sterven, weer nieuw leven vertoont. En hetgeen er in de vorige lente geweest is, zal er nog zijn: dezelfde

Sluiten