Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft hier een voorbeeld van die merkwaardige vaste verhoudingen in de natuur, die men aanduidt als de gouden snee, waarop wij later hopen terug te komen.

Ook bij de bladeren doet zich, evenals bij den stam of stengel, gedaanteverwisseling of metamorphose voor. Zoo kunnen ook bladeren tot dorens vervormd worden, of tot ranken, zooals bij de erwten. De merkwaardigste omvorming der bladeren is echter wel die tot kelk en bloemkroon, meeldraden, stampers en vruchtbladen. Wij zullen dan daarom ook hier van de bloem spreken.

Aan alle Phanerogamen of zichtbaar bloeiende planten kan men bloemen waarnemen. De bloem ontwikkelt zich in korten tijd, maar heeft ook een veel kortstondiger bestaan dan de stengels, bladeren en wortels. De bloem toch is om de vrucht, heeft daarin haar einddoel, en verdwijnt weldra, als de vrucht zich gezet heeft. Is de bloem om de vrucht, de orga.ien waardoor de vrucht ontstaat, zijn de voornaamste deelen van de bloem, de stampers en de meeldraden. Wat zich verder aan de bloem bevindt, dient dan ook om deze voortplantingsorganen te dragen of te beschermen, en tevens om de insecten te lokken, die voor de bevruchting noodig zijn.

Bij de rijkst ontwikkelde bloemen, die, gelijk wij reeds zagen, onder de Di-kotyledonen of twee-zaadlobbigen gevonden worden, ziet men eerst twee kransen van blaadjes, waarvan de buitenste, de kelk, meestal groen, de binnenste, de kroon, meestal gekleurd zijn. Verder, binnen de kelk weer een of meer kransen van meeldraden, de mannelijke — en eindelijk, in het midden, een of meer stampers, de vrouwelijke voortplantingsorganen.

Reeds onder de Di-kotyledonen doen zich, zooals in het vorig hoofdstuk werd aangewezen, allerlei wijzigingen voor. De blaadjes der bloemkroon toch kunnen óf los van elkander óf saamgegroeid zijn, óf ook, de kroon kan geheel ontbreken. Maar nog grooter is de verscheidenheid tusschen de bloemen van deze en die van andere groepen. Het bloembekleedsel, om iets te noemen — kroon en kelk, of ook alleen de kelk — ontbreekt geheel bij de coniferen of „kegeldragers", waartoe b. v. onze denneboomen behooren. Over het geheel is de uitwendige bouw van de bloem bij de naaktzadigen, waartoe de coniferen behooren, veel eenvoudiger dan bij de bedektzadigen, of Kotyledonen. De natuur vertoont ook in den vorm der bloemen, bij alle constantheid in de klassen, familiën en soorten, de rijkste verscheidenheid.

Ten slotte zij hier bij den vorm van de bloem nog iets medegedeeld over de vrucht, het saad en het nectarium of „honingbakje".

Noemden wij zooeven meeldraden en stampers de voortplantingsorganen, de eersten vertoonen een steeltje en een knopje, helmdraad en helmknop genoemd. Bij de anderen, de stampers, vindt men een vruchtbeginsel of eierstok, een stijl en een stempel. In het vruchtbeginsel

Sluiten