Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weefsels. Bovendien vindt men in dit weefsel, tussclien de veelvlakkige cellen, z.g. intercellulaire ruimten. Taak van het grondweefsel in den „cellenstaat" of de levende plant is hoofdzakelijk, de voedingsstoffen te verwerken en „reserve'-stoffen op te zamelen.

Het vaatbundel-weefsel bestaat uit langgerekte cellen, welke bij de Mono-kotyledonen in het grondweefsel van den stam verstrooid liggen.

Bepalen wij ons thans tot wat men van dit drieërlei weefsel waarneemt bij ieder der drie grondvormen van de plant.

Merkwaardig is daarbij, vooral bij naaktzadige en twee-zaadlobbige planten, de stam of stengel.

Het tot ontwikkeling gekomen orgaan vertoont eerst een opperhuid, dan de schors als een daaronder liggenden buitensten ring of koker, vervolgens een door heel de lengte van den stam gaanden ring van vaatbundels, en eindelijk, als een in het midden liggenden cylinder, het merg. Elke „vaatbundel" heeft in horizontale doorsnee een langwerpige gedaante; zijn spitse, naar het merg gekeerde gedeelte is hout, zijn meer ronde, naar de schors liggende gedeelte is bast. „Hout" en „bast" nu bestaan uit vezels of langgestrekte cellen met dikke wanden, die in elkaar grijpen, en uit vaten of lange cellen, welker tusschenwanden öf weggevallen öf doorboord .zijn; in het laatste geval spreekt men van „zeefvaten".

Tusschen „hout" en „bast" nu bevindt zich een eigenaardig laagje van celweefsel, dat men cambium noemt. Het woord komt waarschijnlijk van het Latijnsche cambiare — wisselen, ruilen. In onze taal spreekt men van „teellaag". Het cambium nu is een eigenaardig celweefsel, dat niet gelijk de andere weefsels op zekeren tijd zijn vermogen tot al verdere verdeeling verliest, maar dat zijn vermogen tot deeling blijft behouden, zoo lang de plant leeft.

Bij overblijvende stengels en vooral bij boomstammen, zooals den en spar, eik en kastanje, veroorzaakt nu dit cambium het constante verschijnsel van de „jaarringen", waaruit de ouderdom van een boom kan worden opgemaakt. Het cambium toch wordt dikker, d. w. z. de cellen van dit weefsel verdeelen zich, en daardoor worden „bast" en schors en opperhuid uitgerekt. Het cambium, liggend tusschen „bast" en „hout", zou dit steeds meer van elkaar dringen, doch nu verandert de binnenste laag van het cambium steeds in „hout" en de buitenste in „bast", en dus ontstaan ieder jaar vjiste, gesloten ringen van bast en hout.

Ook de wortel bouwt zich op uit de drie weefsels en vertoont een opperhuid met naar buiten uitgegroeide cellen, de wortelharen en het „wortelkapje". Ook hier vertoont zich het grondweefsel soms als merg, en vormen de vaatbundels het centrale gedeelte. Bij houtachtige gewassen doet het cambium ook de wortels in dikte toenemen.

En evenals bij stam en wortel komt het ook bij de bladeren tot een verbijzondering van het celweefsel. Het vaatbundel-weefsel van den stam loopt in de bladeren uit, w.aar het zich als nerven vertakt

Sluiten