Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op dien wasdom of groei in de plantenwereld wijst ook Jezus, wanneer Hij in de bergrede de aandacht Zijner hoorders vestigt op de leliën des Velds. Hoe schoon wast zelfs de wilde lelie zonder toedoen van den mensch op! Zij spint zich zelve niet haar kleed, en toch overtreft haar natuurschoonheid een Salomo in zijn staatsiegewaad. Immers de heerlijkheid van een koningskleed is maar menschenwerk, doch het bloemenkleed is het eigen werk Gods, want Hij is het, die, gelijk Jezus zegt, de leliën „alzoo bekleedt". Een zelfde gedachte als bij Paulus, wanneer hij in den Corinthe-brief schrijft: „maar God heeft den wasdom gegeven." (1 Cor. 3 : 6.)

Zeker, ook bij dien wasdom en groei werkt Hij door middellijke oorzaken; doch Hij, aller oorzaken Oorzaak, is ook in dien groei van het kleinste plantje zelf de Werker.

Menschelijk waarnemen en nadenken heeft geleerd, dat wat men den groei van een organisme, en dus ook van een plant, noemt, deels een vermeerdering, deels een vergrooting is van de cellen, waaruit het wordt opgebouwd. Ook met deze wetenschap is echter het mysterie van het groeiend leven allerminst ontsluierd.

De ééne cel van microscopische kleinheid, waaruit iedere plant, evenals ieder dier, ontstaat, blijft op zich zelf met haar „leven" een verborgenheid.

Deze groei van het geheele organisme, of ook van een deel er van, zet zich voort zoo lang het leven duurt.

Bij de planten is deze levensduur zeer onderscheiden. De plant is om de vrucht. In het voortbrengen van vrucht heeft zij haar levensdoel.

Nu zijn er planten, die, om vrucht te zetten, één, andere, die twee, en nog andere, die daar meerdere jaren voor noodig hebben; waarom men dan ook spreekt van één-, twee- en meerjarige planten. Zoo onder de éénjarige onze granen, die, na vrucht te hebben gedragen, in den loop van den zomer sterven; de tweejarige, b.v. wortel of peen, vertoonen eerst vrucht in het tweede levensjaar, tevens haar sterfjaar; en eindelijk de meerjarige, die, na vele jaren te hebben geleefd, eerst in het laatste jaar van hun leven bloemen en vruchten voortbrengen.

Daarentegen zijn er ook planten, de z.g. overblijvende, van vaak zeer langen, onbepaalden levensduur, en die dan óf reeds in haar eerste jaar, of later, na een jeugd zonder vrucht, ieder volgend jaar opnieuw vruchten voortbrengen. Zoo b.v. onder de boomen: de eik.

In den groei zelf van de plant laten zich drie perioden onderscheiden, die echter niet scherp zijn begrensd, maar onmerkbaar in 'elkaar overgaan. '

Bij het jonge plantje, dat zijn organen vormt, is de celvermeerdering het sterkst. Zoo ook bij de vorming van nieuwe organen van een „overblijvende" plant. In het voorjaar zijn b. v. alle bladeren, die een kastanjeboom in den zomer zal dragen, reeds waar te nemen in den knop; alle bladcellen zijn dus reeds aanwezig, en de groei is dus niets anders dan vergrooting van deze reeds gevormde cellen. Hier is de groei dus reeds zijn tweede periode ingetreden, en zulk een vermeer-

Sluiten