Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dering in omvang grijpt dan ook bij de andere organen plaats. In de derde periode eindelijk worden de dus vermeerderde en vergroote cellen ook inwendig omgevormd voor de taak, die zij in het organisme hebben te vervullen.

Naaste oorzaak van deze vermeerdering en vergrooting der cellen is de werking van het door haar omsloten protoplasma, dat, door nieuwe stoffen in zich te hebben opgenomen, de celwanden doet „strekken".

Deze groei bepaalt zich echter, gedurende het leven van de plant, niet tot het geheele organisme. Bij de hoogere planten, b. v. onze groote, uit vele millioenen van cellen bestaande boomen, heeft na zekeren tijd in het binnenste van den stam, in het hout, geen groei meer plaats; daar toch zijn dan de cellen verstorven en is er dus noch verdeeling noch vergrooting meer.

Berust de groei, gelijk wij zagen, op het in zich opnemen van nieuwe stoffen in het protoplasma, ieder organisme en dus ook de plant, verliest bij zijn levensuiting stof. Zoowel nu om verlies van stof te herstellen, als groei-stof aan te brengen, is, naar de scheppings-ordinantie voor alle levende wezens op aarde, voeding noodig.

Gewoonlijk ontvangt de plant haar voedsel uit den grond door middel van de wortels, en uit de lucht door middel van de bladeren.

Uit de lucht neemt de plant alleen gasvormig voedsel op, en wel doordat de dampkringslucht in de „huidmondjes" — welke zich aan de boven-, maar vooral aan de onderzijde der bladeren bevinden — indringt.

Deze „huidmondjes" bestaan uit twee halvemaanvormige cellen met een nauwe spleet er tusschen. Aldus krijgt de lucht toegang tot de ruimte tusschen de cellen van het „bladmoes".

Het is hier, dat het koolzuur uit de lucht op een zeer eigenaardige wijze door de plant zelf tot voedsel wordt verwerkt. Men noemt dit assimilatie, van het Latijnsche „similis" —gelijk, dus: zich gelijk, zich eigen maken, of hier bepaald: „in voedingsstof veranderen".

Deze assimilatie van het door de bladeren opgenomen koolzuur geschiedt, onder inwerking van het licht, door middel van het zich in de bladeren en alle groene plantendeelen bevindend, en in het vorig hoofdstuk reeds genoemde, chlorophyll of „bladgroen". In de bladgroenkorreltjes toch, die zich, gelijk wij, toen vermeldden, in de cellen van het blad bevinden, wordt het koolzuur zoodanig ontleed, dat zijn zuurstof vrij komt, om straks weer in de atmosfeer terug te keeren, terwijl zijn koolstof zich met de waterstof en zuurstof van het door de plant opgenomen water vereenigt tot zetmeel of suiker.

Duidelijk is hierbij de groote beteekenis, die de bladeren voor het leven van de plant hebben.

Spraken wij zooeven van het door de plant opgenomen water, dit laatste verschaft zij zich voor haar voeding door middel van haar wortels uit den grond. Met het water uit den bodem neemt zij tevens daarin opgeloste stoffen tot zich, en wel een dertiental elementen,

Sluiten