Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

öf zelfs in het geheel geen zaad, öf geen kiem, öf niet dan zeer zwakke individuen.

Eigenaardig is hierbij, hoe, onder voor ons toevallige omstandigheden,

de bestuiving tot stand komt.

Het is de wind en het zijn de insecten, die daarbij een rol spelen. De wind draagt vooral het stuifmeel over van de naaktzadigen, zooals dennen en sparren, maar ook van hazelaar en els. Juist doordat de meeldraden hier niet dan door een zeer onvolkomen bloembekleedsel beschut zijn, kan de wind er gemakkelijk bijkomen en het stuifmeel

op de stampers overbrengen. _ _

Veel samengestelder is echter de werking der insecten bij de bestuiving. Het is de honing, dien de bloem vooral in haar, vroeger reeds beschreven, nectarïën of „honingbakjes afscheidt, welken de insecten als voedsel zoeken. Gewoonlijk ligt de honing diep in de bloem verscholen en moet het insect dus, om dien te bereiken, er ver indringen. Daarbij schuurt het met zijn lichaam tegen de helmknoppen der meeldraden en neemt dan aan zijn haren het stuifmeel mee. Vliegt het nu straks op een andere bloem, dan draagt het dit stuifmeel over op de stampers.

Hierbij zijn zelfs bepaalde insecten aan bepaalde bloemen gebonden, en bij het overbrengen van planten naar andere gewesten mislukte dan ook vaak de voortplanting, omdat men de daarvoor noodige

insecten er niet bij had.

Heel het proces van de bestuiving wijst ons dus op een vaste schikking in de natuur, waarin wij Gods ordinantie bewonderen.

Komt aan de planten ook al geen „willekeurige bew eging toe, toch valt beweging niet aan haar te ontzeggen.

Deze beweging is tweeërlei.

In de eerste plaats zulk eene, die veroorzaakt wordt in de plant zelve, en in de tweede plaats zulk eene, die veroorzaakt wordt door van buiten komende prikkels.

De eerste groep van bewegingsverschijnselen doet zich voor bij het protoplasma en het boven beschreven „transport" van voedingsstoffen. Die van de tweede groep, welke zich voordoen als beweging van bepaalde organen, ontstaan door prikkels uitgaande van licht, zwaartekracht, warmte of vochtigheid.

Zoo keeren de meeste planten zich naar het zonlicht; sommige, gelijk de klimop, wenden zich daarentegen bij voorkeur van het licht af.

De zwaartekracht doet de plant en haar organen öf loodrecht naar beneden, naar het middenpunt der aarde, öf loodrecht opwaarts groeien.

Ook wanneer de celwanden, op de verschillende deelen van een orgaan, in ongelijke mate water opnemen en zich derhalve in ongelijke mate vergrooten, ontstaan er bewegingen, die zich als krommingen in zulke organen voordoen.

Sluiten