Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch en dier, kan niet worden ontkend, dat het dier in de uiting zijner gemoedsaandoeningen, in wat men zou kunnen noemen zijn „natuurlijke deugden", op treffende overeenkomst wijst met wat gij waarneemt bij den mensch. Heel de schepping wijst ons op èen „schikking", een schema of schets van in haar zich openbarende Godsgedachten, en wel zóó, dat altijd het lagere in het hoogere ligt opgesloten, het lagere het hoogere als het ware prae-formeert, er den voorafgaanden vorm van vertoont. Zoo vindt gij in het dier terug wat gij reeds vindt bij de plant, en bij den mensch wat èn dier èn plant u doen zien.

Het ligt niet in onze bedoeling, in deze hoofdstukken, waarin het ons om de kennis van 's Heeren ordinantiën voor de natuur of, zooals men het ook wel uitdrukt, van de natuurlijke wereldorde, te doen is, zelfs maar een poging te wagen om een min of meer populaire Dierkunde te bieden.

Het gaat alleen en uitsluitend om 's Heeren ordinantiën in de dierenwereld.

Dan, juist om deze recht te verstaan, zal het noodig zijn, een en ander van wat de Zoölogie of Dierkunde leert, mede te deelen.

Om toch de natuurlijke wereldorde te verstaan, moeten wij de natuur zelve, of liever, dat deel der schepping, waarvoor wij Gods schikking en ordening thans willen onderzoeken, eenigszins, zij het ook in breede trekken, leeren kennen.

En ook, die dierenwereld behoort tot dat ééne der twee middelen, door welke God van ons gekend wordt.

Wezen wij in het eerste van het viertal hoofdstukken die over de plantenwereld handelen, hoe tot de wijsheid van Salomo, ons in 1 Koningen 4 : 29—34 beschreven, ook behoorde zijn wijs zijn in de dingen der natuur, ook behoorde zijn kennis van de planten, wij vonden toen reeds, dat deze Wijze in Israël tevens beschikte over een meer dan gewone kennis omtrent de dieren. Wordt ons toch in de eerste helft van vs. 33 gezegd: „Hij sprak ook van de boomen, van den cederboom af, die op den Libanon is, tot op de hysop, die aan den wand uitwast"; in de tweede helft van dit vers lezen wij: „hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de visschen." En dat wij hierbij wel degelijk aan een bepaalde studie van planten, en ook van dieren, bij Salomo hebben te denken, en niet maar, zooals Flavius Josephus wil, alleen aan een ontleenen uit de planten- en dierenwereld, van wat de Wijze voor zijn spreuken en gelijkenissen noodig had, is toen vrij uitvoerig aangewezen.

Bovendien zou zulk een „ontleenen" zonder zekere kennis van de natuur niet recht bestaanbaar zijn. Een schrijver of dichter, die zich aan symboliek waagt, die zijn beelden grijpt uit het leven van planten en dieren, om er mee uit te beelden het leven des geestes, begaat,

Sluiten